Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de

Download Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de

Post on 11-Jan-2017

214 views

Category:

Documents

1 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

<ul><li><p>Het Nederlandse Renaissance-toneel alsprobleem en taak voor de literatuur-historie</p><p>W.A.P. Smit</p><p>bronW.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie.</p><p>In:Mededeelingen der Koninklijke Nederlandsche Akademie van Wetenschappen AfdeelingLetterkunde 27 (1964), p. 167-210.</p><p>Zie voor verantwoording: http://www.dbnl.org/tekst/smit021nede01_01/colofon.htm</p><p> 2001 dbnl / Erven W.A.P. Smit</p></li><li><p>167</p><p>Het Nederlandse Renaissance-toneel alsprobleem en taak voor de literatuur-historieW.A.P. Smit</p><p>W.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie</p></li><li><p>168</p><p>IN BEKNOPTER VORM UITGESPROKEN IN DE VERGADERING VAN 13 JANUARI 1964</p><p>W.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie</p></li><li><p>169</p><p>Een van de moeilijkste problemen, waarvoor de Nederlandse literatuur-historie zichgeplaatst ziet, is de beantwoording van de vraag naar het ontstaan en de ontwikkelingvan het Renaissance-toneel hier te lande in de eeuw tussen 1575 en 1675. Vr enna die tijd hebben wij betrekkelijk vaste grond onder de voeten, al zal er ook tenaanzien van het drama uit de rederijkerstijd en van dat uit de periode van hetFrans-classicisme nog heel wat werk - vooral in structureel-analytisch opzicht -moeten worden verzet, voordat wij kunnen zeggen er werkelijk mee klaar te zijn.Maar de grote lijn staat daar tenminste vast, wat betekent dat er voor verdere studieuitgangspunten zijn waaraan men houvast heeft. Voor de periode van hetRenaissance-toneel ligt dit geheel anders.Ik bedoel hier met Renaissance-toneel niet enkel de z.g. klassieke tragedie, maar</p><p>heel het complex van modern - d.w.z. niet-retoricaal - toneel, zoals dit omstreeksde overgang tussen de zestiende en zeventiende eeuw begint op te komen om zichin de daarop volgende decennia met verbijsterende snelheid te vermenigvuldigen:treurspel, tragi-comedie, herdersspel, met alle variaties van tussen- en mengvormen,en in alle gradaties tussen klassiek en niet-klassiek. Eigenlijk zou ik ook nog hetblijspel en de klucht moeten noemen, maar ten aanzien van het komischeRenaissance-toneel ligt de problematiek geheel anders dan voor de ernstige genres,al is er natuurlijk wel verband. Ik laat daarom blijspel en klucht verder buitenbeschouwing, om mij te beperken tot het niet-komische toneel.Welnu, wat de ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van het ernstige</p><p>Renaissance-toneel betreft, tasten wij vrijwel geheel in het duister. Het is niet zonderreden, dat de meeste handboekschrijvers er nagenoeg stilzwijgend aan voorbijgaanen zich bepalen tot het noemen of bespreken van enkele afzonderlijke drama's enauteurs, zonder veel onderling verband. Bij gebrek aan de nodige voorstudies konden- en kunnen - zij moeilijk anders doen. Des te groter is daarom de verdienste van dene onder hen die althans getracht heeft een dergelijke onbevredigende situatie inzijn werk te voorkomen. Ik bedoel de ten onrechte zo vaak gesmade Jan te Winkel.In ander verband heb ik hem eens de grand old man van de Nederlandseliteratuur-geschiedschrijving genoemd 1, en sindsdien ben ik meermalen opnieuwtot de overtuiging gekomen dat hij deze erenaam inderdaad verdient. Ook Te</p><p>1 W.A.P. Smit, Van Pascha tot Noah, Deel I (Zwolle 1956), blz. 15.</p><p>W.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie</p></li><li><p>170</p><p>Winkel gaat in hoofdzaak van bepaalde auteurs en stukken uit, maar tegelijkertijdtracht hij deze te groeperen en tegen een achtergrond te plaatsen, waarbij ook deontstaansgeschiedenis van het desbetreffende genre wordt betrokken. Dat blijkt reedsuit de titels van zijn hoofdstukken (Het classieke treurspel: Hooft en Coster; Hetherdersspel: Hooft en Rodenburg; De tragi-comedie: Bredero en Starter), maarnog veel meer uit hun inhoud. Niet alleen bespreekt hij bij elk genre behalve dehoofdvertegenwoordigers tal van andere auteurs, maar bovendien - en dat is hetbelangrijkste! - worden telkens langere of kortere uitweidingen ingelast waarin aande problematiek van ontstaan en ontwikkeling der behandelde toneelsoorten aandachtwordt gewijd 2. De hypothesen zijn soms aanvechtbaar en een enkele maal door hetresultaat van later onderzoek achterhaald, maar dit doet aan de principile verdienstevan Te Winkel's streven niets af.Intussen kon de Amsterdamse hoogleraar bij zijn poging ook ten aanzien van het</p><p>Renaissance-toneel iets van een ontwikkelingsgang te doen zien, steunen op hetwerk van een voorganger: J.A. Worp, misschien de meest onvermoeibare en stlligde meest miskende van alle Nederlandse literatuurhistorici. Bij de scherpe kritiek,die er steeds weer op zijn werk wordt uitgebracht, verliest men te veel uit het oogdat hij daarmee op allerlei gebied uiterst belangrijke pioniersarbeid heeft verricht.Sterker nog: men vergeet, dat wij wel bezwaar kunnen maken tegen de opzet van ditwerk en het op tal van detailpunten kunnen verbeteren, maar dat wij nog steeds nietin staat zijn er iets beters voor in de plaats te stellen. Dat geldt zowel voor Worp'sproefschrift over Jan Vos 3 als voor zijn onderzoek naar de invloed van Seneca opons toneel 4, voor zijn uitgave van Huygens' pozie en van diens correspondentie 5</p><p>als voor zijn toneelgeschiedenis. In ons verband gaat het uiteraard om delaatstgenoemde van deze publikaties: de Geschiedenis van het drama en van hettooneel in Nederland, van 1904 tot 1908 in twee delen te Groningen verschenen.Zoals uit de titel blijkt, omvat dit werk veel mr dan alleen de geschiedenis van hetRenaissance-toneel; het begint bij de Middeleeuwen en loopt door tot het einde</p><p>2 J. teWinkel,De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde2, Deel III (Haarlem 1923).De genoemde hoofdstukken vindt men resp. op blz. 126, 146 en 157; voor de bedoeldeuitweidingen zie men b.v. blz. 131, 142-143, 146-148, 158, 159-160.</p><p>3 J.A. Worp, Jan Vos (Groningen 1879).4 J.A. Worp, De invloed van Seneca's treurspelen op ons tooneel (Amsterdam 1892).5 De gedichten van Constantijn Huygens, naar zijn handschrift uitgegeven door Dr. J.A.Worp;</p><p>9 delen (Groningen 1892-1899); De briefwisseling van Constantijn Huygens, uitgegevendoor Dr. J.A. Worp; 6 delen (R.G.P., 's-Gravenhage 1911-1917).</p><p>W.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie</p></li><li><p>171</p><p>van de 19de eeuw. Maar het is toch in het bijzonder aan het omvangrijke gedeelteover het drama in de 17de eeuw 6, dat Worp's boek zijn betekenis ontleent. Wantvooral op dit gebied viel er pionierswerk te verrichten en vrijwel onbekend terreinin kaart te brengen. Worp is de eerste geweest, die het merendeel van de velehonderdtallen toneelstukken uit deze tijd gelezen heeft, die hun bestaan vermeldde,iets over de inhoud meedeelde, en een poging deed tot systematische ordening opde basis van een geschiedschrijving.Die ordening moet ongetwijfeld in het algemeen als mislukt worden beschouwd.</p><p>Worp is er niet in geslaagd voor zijn onderscheiding tussen klassiek en niet-klassiektreurspel een bruikbaar criterium te vinden, zodat zijn indeling vaak de indruk maaktwillekeurig en tegenstrijdig te zijn. Hetzelfde geldt voor zijn omgrenzing van detragi-comedie 7. Ook op andere punten is hij niet altijd even gelukkig. De meestestukken worden z summier en z uitsluitend naar de korte inhoud besproken, datdaarmee voor verdere studie niets te beginnen valt; de gebruikswaarde van het boekwordt daardoor teruggebracht tot die van een catalogus. Bij de tekening van deachtergronden der ontstaansgeschiedenis van het nieuwe (Renaissance-)toneel wordende literaire opvattingen en theorien, die daarop invloed kunnen hebben uitgeoefend,veel te veel verwaarloosd. Bij de vermelding van Senecaanse invloeden wordt teuitsluitend aan rechtstreekse benvloeding gedacht en te weinig rekening gehoudenmet de - dikwijls veel grotere - waarschijnlijkheid van indirecte ontlening. En zo zouer meer te noemen zijn.Maar daar staat vl tegenover - nog afgezien van het feit dat Worp's werk slechts</p><p>billijk beoordeeld wordt, wanneer wij daarbij uitgaan van de literair-historischeopvattingen en van de mogelijkheden (de feitelijke kennis, de voorstudies) in heteerste decennium van deze eeuw. Wij beschikken nu dan toch maar over dezecatalogus met korte inhouds-opgave, die ons een idee geeft van de quantiteit en decomplexiteit van het materiaal waarover wij beschikken. Het is Worp, die ons tenaanzien van het Renaissance-toneel confronteert met de taak, waaraan wij ons op deduur niet zullen kunnen onttrekken. Het is Worp, die ons door zijn tekortkomingendoet begrijpen waar de moeilijkheden liggen en welke klippen wij zullen hebben teomzeilen. Het is Worp, die op tal van punten bijzonder waardevolle opmerkingenmaakt en kostbare aanwijzingen geeft; ik noem hier slechts het feit dat hij bij zijnonder-</p><p>6 J.A. Worp, Drama en Tooneel, Deel I, blz. 243-466; Deel II, blz. 3-130.7 Zo wordt b.v. Vondel's Pascha een (klassiek) treurspel genoemd (Drama en Tooneel I, blz.</p><p>264), al geeft de dichter op zijn titelblad aan dat het stuk tragecomedischer wijse opttonneel gestelt werd.</p><p>W.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie</p></li><li><p>172</p><p>zoek naar het ontstaan van ons Renaissance-toneel als eerste ook het Latijnseschooldrama betrekt.Welke mogelijkheden er in dit alles schuilen, gaat men enigszins beseffen als men</p><p>ziet op welke manier TeWinkel - op bescheidener schaal ook reeds Kalff - er gebruikvan heeft weten te maken. Telkens weer herkent men bij hem de beschouwingswijze,soms zelfs bijna de woorden, van Worp. Maar Te Winkel gaat eclectisch te werk,vat samen, denkt verder, vult uit eigen kennis en inzicht aan. Hij verwerkt nietenkel het boek van zijn voorganger maar zet, binnen de grenzen die het schrijvenvan een handboek hem stelde, zoveel mogelijk diens historisch-verklarende enordenende arbeid voort. En met hem loopt dan tevens deze arbeid dood - nu al voormeer dan veertig jaar!</p><p>Zoals ik reeds vermeldde, is Worp de eerste geweest die ervan uitging dat hetLatijnsche drama 8 invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het Nederlandschetreurspel 9. Dat is een belangrijke conclusie, en in het algemeen kan aan de juistheiddaarvan niet worden getwijfeld. Maar zij stelt ons onmiddellijk voor nieuwe vragen:in welke mate heeft die invloed zich doen gelden, op welke punten, langs welkekanalen? En daarop geeft Worp geen antwoord; ook ten aanzien van het Latijnseschooldrama blijft zijn boek tenslotte een beredeneerde catalogus. Er valt weinig ofniets uit af te leiden omtrent de wijze waarop het genre zich hier te lande naar uiterlijkeen innerlijke structuur heeft ontwikkeld; omtrent de geleidelijke vervanging vanTerentius en Plautus als modellen door Seneca; omtrent aard, functie en frequentievan de komische elementen in ernstige stukken. Ik bedoel dit overigens niet als eenverwijt aan Worp. Bij gebrek aan de nodige voorstudies kon hij moeilijk veel verdergaan dan hij deed; ons Latijnsche schooldrama is nooit onderzocht, constateert hijterecht in zijn Voorrede 10.Helaas is er op dit laatste punt sedert 1904 nauwelijks verandering gekomen. De</p><p>huidige onderzoeker vindt zich bij zijn werk nog door hetzelfde gebrek aan voorstudiesbelemmerd als zijn voorganger van zestig jaar geleden betreurde. Bij de tegenwoordigeopvattingen omtrent het literatuuronderzoek doet zich met name het tekort aan eenstructurele analyse van de verschillende schooldrama's gelden, die als basis zoukunnen dienen voor een ont-</p><p>8 Bedoeld wordt hier: het Latijnse schooldrama uit de 16de en 17de eeuw, met als beginpuntde Grisellis (1511) van Eligius Eucharius en als eindpunt de Christus patiens (1608) vanHugo de Groot en de Herodes infanticida van Daniel Heinsius (verschenen in 1632, maarreeds in 1611 voltooid).</p><p>9 J.A. Worp, Drama en Tooneel I, blz. 239. Ook in De invloed van Seneca's treurspelen opons tooneel wordt daarop gewezen.</p><p>10 J.A. Worp, Drama en Tooneel I, blz. V.</p><p>W.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie</p></li><li><p>173</p><p>wikkelingsgeschiedenis van het genre. Door het ontbreken daarvan wordt het uiterstmoeilijk, zo niet onmogelijk, een bevredigend antwoord te geven op vragen naar deinvloed van dit drama op het toneel in de volkstaal. Moet de toenemende navolgingvan Seneca, die omstreeks de eeuwwende valt waar te nemen, in de eerste plaatsworden toegeschreven aan buitenlandse voorbeelden of aan het Latijnse schooldramavan eigen bodem? Bij een typische overgangsfiguur als de Leidse rederijker JacobDuym kan er aan invloed van dit laatste niet worden getwijfeld 11, maar in hoeverregeldt dit ook voor anderen? Heeft Van derMeulen gelijk, wanneer hij de ontwikkelingin Coornhert's toneelwerk naar een meer klassieke vormgeving - met name deindeling in vier of vijf bedrijven - toeschrijft aan de invloed, die de rectoren derLatijnse scholen met hun drama's of comedies moeten hebben gehad 12? Enzo ja, wat ongetwijfeld waarschijnlijk moet worden geacht, valt dan na te gaan, aanwelke auteur of aan welke stukken in het bijzonder moet worden gedacht? In hoeverreblijft het verantwoord bij Coornhert van Senecaanse invloed te spreken zoals Worpdoet 13, ook al heeft deze invloed zich dan misschien meer langs indirecte weg doengelden dan rechtstreeks?Zelfs bij een zo veelvuldig bestudeerd auteur als Hooft dringen zich in dit verband</p><p>vragen op. Er is een groot verschil, ook in structuur, tussen Hooft's jeugddrama's(Achilles en Polyxena; [Theseus ende] Ariadne; Granida) en de beide tragedies diehij op latere leeftijd schreef: Geeraert van Velsen (1613) en Baeto (verschenen in1626, maar geschreven in 1616-1617). De laatste sluiten in verschillende opzichten- niet in alle - dichter aan bij de opvattingen van het opkomende classicisme. Terverklaring van deze evolutie verwijst men gewoonlijk naar een verdiepte kennis vanSeneca's treurspelen bij Hooft, invloed van buitenlandse auteurs (Garnier), en debestudering van Renaissancistische potica's (Scaliger, Castelvetro, Heinsius). Maarligt het niet voor de hand, hier ook aan mogelijke - om niet te zeggen: waarschijnlijke- invloed te denken van de vier belangrijke neo-latijnse tragedies, die in het eerstedecennium van de eeuw door Nederlanders geschreven waren? Ik bedoel de Adamusexul en de Christus patiens van Hugo de Groot (resp. 1601 en 1608), en de Auriacussive libertas saucia en de Herodes infanticida van Danil Heinsius (resp. 1602 en1632; het laatste</p><p>11 In het proefschrift van K. Poll, Over de tooneelspelen van den Leidschen rederijker JacobDuym (Groningen 1898), komt dit aspect nog niet ter sprake. Ook Duym is na deze eersteverkenning nog steeds niet nader en meer systematisch bestudeerd.</p><p>12 Het Roerspel en de Comedies van Coornhert, uitgegeven en van commentaar voorzien doorDr. P. van der Meulen (Leiden 1955), blz. 11-12.</p><p>13 J.A. Worp, De invloed van Seneca's treurspelen op ons tooneel, blz. 64.</p><p>W.A.P. Smit, Het Nederlandse Renaissance-toneel als probleem en taak voor de literatuur-historie</p></li><li><p>174</p><p>stuk moet echter reeds in 1611 voltooid zijn gewee...</p></li></ul>