god en de menselijke maat

of 21 /21
Taede A. Smedes God en de menselijke maat Gods handelen en het natuur- wetenschappelijk wereldbeeld

Upload: boekencentrum-uitgevers

Post on 10-Mar-2016

237 views

Category:

Documents


1 download

DESCRIPTION

Een fragment

TRANSCRIPT

Page 1: God en de menselijke maat

Taede A. Smedes

God en demenselijke maat Gods handelen en

het natuur-

wetenschappelijk

wereldbeeld

Zijn natuurwetenschap en geloof met elkaar inconflict? Kunnen we nog zinvol spreken overGods activiteit in de wereld? In dit boek gaat Taede Smedes op zoek naar deeigen grammatica van het spreken over Godshandelen in verhouding totnatuurwetenschappelijke denkwijzen. Decentrale stelling is dat wanneer op eennatuurwetenschappelijke wijze over Godgesproken en gedacht wordt, God wordtgereduceerd tot de menselijke maat. OverGods handelen kan dan nog slechts gesprokenen gedacht worden op het moment dat ernatuurwetenschappelijk gezien ruimte voor is.Op toegankelijke wijze en zonder een bladvoor de mond te nemen, neemt de schrijver delezer mee door het voor velen onbekendetheologische en filosofische landschap van hetspreken over God en Gods handelen. Daarbijbehandelt hij onderwerpen als GodsVoorzienigheid, de relatie tussen dekosmologische Big Bangtheorie en ‘scheppinguit niets’, wonderen, Intelligent Design, en hetgebruik van kenosis: de gedachte dat God zijnmacht vrijwillig beperkt uit liefde voor deschepping.

Helder taalgebruik, grappige en aansprekendevoorbeelden en een bij vlagen onorthodoxeuitgesprokenheid maken dit boek tot eentoegankelijke, originele en spraakmakendebijdrage aan het groeiende veld van‘godsdienst en wetenschap’.

www.uitgeverijmeinema.nl

789021 1411389

ISBN 90-211-4113-2

Dr. Taede A. Smedes is

godsdienstfilosoof en

theoloog, en scientific

programme officer van de

European Society for the

Study of Science and

Theology (ESSSAT). Hij

publiceerde eerder Chaos,

Complexity, and God:

Divine Action and

Scientism (Leuven: Peeters,

2004) en publiceert

regelmatig artikelen over

de verhouding tussen

theologie en

natuurwetenschap in

tijdschriften en boeken in

binnen- en buitenland.

www.tasmedes.nl

Go

d e

n d

e m

en

selijk

e m

aa

t

Taede A.Smedes

NUR 700

God en de menselijke maat 23-05-2006 12:43 Pagina 1

Page 2: God en de menselijke maat
Page 3: God en de menselijke maat

God en de menselijke maat

Gods handelen en het natuurwetenschappelijk wereldbeeld

Taede A. Smedes

Uitgeverij Meinema, Zoetermeer

Page 4: God en de menselijke maat

www.uitgeverijmeinema.nl

Ontwerp omslag: Studio Anton Sinke, Nieuwerkerk a/d IJsselIllustratie omslag: William Blake, The ancient of days (1794). British Museum, Londen.

ISBN-10: 90 211 4113 2ISBN-13: 978 90 211 4113 8NUR 700

© 2006 Uitgeverij Meinema, Zoetermeer

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveel-voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Page 5: God en de menselijke maat

Voor Jolanda en Monnie

Page 6: God en de menselijke maat

‘Van alle dingen is de mens de maat: van de dingen die zijn, bepaalt hij dat ze zijn en van de dingen die niet zijn, dat ze niet zijn.’

‘Over goden kan ik niets weten, noch dat ze zijn, noch dat ze niet zijn. Er zijn immers veel hinderpalen om het te weten te komen, zowel de duisternis van het probleem als het korte leven van de mensen.’

Protagoras(ca. 481-411 v.C.)

Geciteerd in: Diogenes Laërtius, Leven en leer van beroemde filoso-fen, vertaald door dr. Rein Ferwerda, Amsterdam: Ambo 2000, IX, 51.

‘Meine Damen und Herren! All dies ist Gestammel.’

Hans Jonas(1903-1993)

Uit: Philosophische Untersuchungen und metaphysische Vermutun-gen. Frankfurt a.M.: Insel Verlag 1992, 207.

Page 7: God en de menselijke maat

7

Inhoudsopgave

Voorwoord 9

Inleiding 11

1. Theologie en spreken over God 22

2. Is er een conflict tussen godsdienst en wetenschap? (1) 35

3. Is er een conflict tussen godsdienst en wetenschap? (2) 48

4. Spreken over God: wat bedoelen we dan? 64

5. Spreken over de wereld als ‘schepping’ 80

6. Creatio ex nihilo, Big Bang of misschien allebei? 94

7. Wat doet God? De vraag naar ‘Gods handelen’ 113

8. Hoe doet God het? De vraag naar Gods voorzienigheid 130

9. Gebruikt God special effects? Over wonderen 150

10. God, scheppingsleer en Intelligent Design 167

11. Bemoeit God zich nog met ons? Rondom het gebruik van kenosis 188

12. Hoe nu verder? Opnieuw geloof en wetenschap overdenken 209

Epiloog 230

Bibliografie 238

Page 8: God en de menselijke maat
Page 9: God en de menselijke maat

9

Voorwoord

Het schrijven van dit boek heb ik ervaren als het maken van een muzikale compositie, waarbij de onderdelen op een zo harmonieus mogelijke wijze tot een geheel met meerdere lagen moeten worden gevlochten. Het geheel moet in zekere zin ‘kloppen’. Ik hoop – maar dat laat ik aan het oordeel van de lezer over – dat dit boek ‘klopt’. In ieder geval heb ik met veel plezier aan dit boek gewerkt en ben ik al ideeën aan het verzamelen voor een volgend boek. Achter een boek als dit gaat echter een behoorlijke hoeveelheid bewust en onbewust werk schuil, niet alleen wat betreft het lezen van boeken en artikelen, maar misschien nog wel meer wat betreft de interactie met mensen. Een aantal personen dat ontegenzeggelijk heeft bijgedragen aan de totstandkoming van dit boek, wil ik hier noemen.

Luco van den Brom en Andy Sanders waren in Groningen mijn leermeesters in de systematische theologie en de godsdienstfilosofie. Bovendien waren zij het die mijn interesse in de interactie van theolo-gie en natuurwetenschap hebben aangewakkerd. Tijdens het schrijven had ik voortdurend het idee dat zij over mijn schouder meekeken. Ik hoop dat de ideeën in dit boek hun goedkeuring kunnen wegdragen. Willem B. Drees wil ik bedanken voor de ruimte die hij mij gegeven heeft om dit boek aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Universi-teit Leiden te voltooien. Wim is een van de mensen geweest die mij heeft gestimuleerd om verder te denken over de relatie tussen geloof en wetenschap. Hoewel zijn naturalistische positie radicaal verschilt van mijn positie, heeft dat een professionele en zelfs vriendschappe-lijke relatie niet in de weg gestaan. Bovendien heeft hij bij een eerdere versie van het manuscript waardevolle opmerkingen geplaatst ter verbetering ervan en noemde hij de in dit boek uitgestippelde positie ‘uiterst zinvol’ – een compliment dat ik zeer waardeer.

Er zijn nog talloze mensen die mij hebben gestimuleerd op mijn denkweg en mij de gelegenheid hebben gegeven om mijn ideeën te planten en door kritiek te laten groeien. Daarbij denk ik, om een aan-tal namen in willekeurige volgorde te noemen, aan de leden van het werkgezelschap ATOMIUM (waar ik al een aantal jaren deel van uit-maak en waar ik bij iedere bijeenkomst weer nieuwe stimulerende

Page 10: God en de menselijke maat

10

en inspirerende ideeën mag oogsten), de leden van de European Society for the Study of Science and Theology (ESSSAT), Edwin Kos-ter, Hubert Meisinger, Marcel Sarot, Ronald Meester, Rico Sneller, Gijsbert van den Brink en Olga Crapels (die mij deed beseffen dat publiceren in de eigen taal net zo broodnodig is als internationale wetenschappelijke publicaties).

Het boek is grotendeels geschreven tijdens mijn werk als post-doc aan de Faculteit Godgeleerdheid van de Universiteit Leiden. Ik werkte daar aan het door NWO gefinancierde project Renewal of The-ology Through the Sciences? Regional and Disciplinary Variation in ‘The-ology and Science’ in het kader van het NWO-programma Culturele Vernieuwing en Grondslagen van de Geesteswetenschappen. Veel van wat ik in de volgende pagina’s schrijf, is een resultaat van dat onderzoek en ik ben NWO dan ook dankbaar voor hun geldelijke ondersteuning van dat project. Ik ben de Radboudstichting Wetenschappelijk Onder-wijsfonds, Vught zeer erkentelijk voor de financiële ondersteuning voor publicatie van dit boek. Kees Korenhof van Uitgeverij Meinema dank ik voor zijn enthousiasme voor het onderwerp en voor het ver-trouwen dat hij in dit boek en in mij heeft gesteld.

De twee personen die het meest hebben bijgedragen aan dit boek, zijn Jolanda en onze kat Monster. ‘Monnie’, zoals we hem meestal noe-men, bleek een bron van inspiratie voor een heel aantal voorbeelden in dit boek. Jolanda wil ik bedanken voor haar liefdevolle steun en haar grenzeloze geduld als aan het einde van de maand weer eens bleek dat ik meer aan boeken had uitgegeven dan mijn budget eigen-lijk toeliet. Ik draag aan hen beide dit boek op.

Leiden/HillegomFebruari 2006

Page 11: God en de menselijke maat

11

Inleiding

Het schijnt dat Albert Einstein (1879-1955) eens gezegd heeft: ‘God dobbelt niet.’1 Die uitspraak wordt meestal geïnterpreteerd als een kritiek op het toevalsaspect van de quantummechanica. Einstein plaatste zijn opmerking inderdaad in een wetenschappelijke discussie tussen fysici onderling. Niettemin wordt ook algemeen van Einstein gezegd dat hij een gelovig man was. Einstein was van joodse komaf, had een tijdlang zijn joodse achtergrond genegeerd, maar begon er op latere leeftijd weer naartoe te groeien. Einstein voelde een religi-euze verwantschap met het spinozisme, de intellectuele erfenis van de verketterde Spinoza. Volgens de gangbare interpretaties meende Spinoza dat God en wereld dezelfde zijn. In de theologie noemt men dit ‘pantheïsme’ (van pan = ‘alles’, theos = ‘God’, oftewel: ‘alles is God’).

Zoals Max Jammer in zijn prachtige boek over Einstein and Reli-gion beschrijft, is de God van Spinoza door en door deterministisch.2 Vandaar Einsteins opmerking dat God niet dobbelt met de wereld. Als God en wereld een eenheid vormen, dan is er geen mus die van het dak valt zonder dat God het ziet en wil. De hele wereld en al wat er gebeurt, is dan een uitdrukking van Gods wil. De quantum-mechanica, die stelt dat er dingen in onze wereld gebeuren waarvan we moeten spreken alsof ze zonder oorzaak zijn en dus ‘toevallig’, is niet te rijmen met een God die alles voorziet en wil.

Dat is de wetenschappelijke interpretatie. Een religieuze inter-pretatie zou wellicht benadrukken dat in die uitspraak van Einstein over het dobbelen van God niet zozeer iets over de wereld gezegd wordt (namelijk dat ze niet indeterministisch kan zijn), maar over God. Vanuit een religieus perspectief brengt Einsteins uitspraak zijn vertrouwen in Gods voorzienigheid en Gods onderhouding van de schepping tot uitdrukking.

1 Deze uitspraak zou Einstein hebben laten vallen tijdens een gesprek met zijn collega-fysicus Niels Bohr (1885-1962). Bohr zou daarop geantwoord hebben: ‘Einstein, hou nou eens op met God te vertellen wat hij wel en niet moet doen!’

2 JAMMER 1999, 50.

Page 12: God en de menselijke maat

12

Bij Einstein, zo zou je kunnen zeggen, is er een spanning voelbaar tussen een wetenschappelijk wereldbeeld en zijn eigen persoonlijke geloofsovertuiging. Enerzijds is daar een wetenschappelijk wereld-beeld dat zegt hoe de wereld in elkaar steekt. Toeval lijkt daar een inherent aspect van te zijn. Anderzijds is daar een religieuze wereld-beschouwing, gebaseerd op een vertrouwen in de betrouwbaarheid van de wereld alias God. Toeval of willekeur wordt daarbij uitgeslo-ten. Zo geïnterpreteerd ontdekken we bij Einstein een tegenstelling, een conflictsituatie tussen godsdienst en wetenschap.

De spanning tussen godsdienst en wetenschapDe christelijke traditie heeft nooit goed raad geweten met het panthe-isme van Spinoza. Er zijn weliswaar theologen die er af en toe dicht bij in de buurt lijken te komen, zoals procestheologen met hun ‘pan-en-theïsme’ (‘alles is in God’), dat een zeer intieme relatie benadrukt, maar niettemin een onderscheid tussen God en wereld wil vasthou-den. Maar het grootste verschil tussen Spinoza en de christelijke tra-ditie steekt in het spreken over God in persoonlijke termen. Einstein had met dat persoonlijk spreken over God niet veel op.3 Het is een cruciaal onderdeel van de christelijke traditie.

Door het spreken over God in persoonlijke termen wordt de erva-ring tot uitdrukking gebracht dat God nog altijd in de wereld werkt. God is op een persoonlijke manier betrokken in en bij de dynamiek van onze wereld en in het leven van mensen. We zien dat spreken onder andere in de bijbel, in middeleeuwse mystieke traktaten en in gesprekken met hedendaagse mensen. Dan blijkt dat God niet, zoals in het pantheïsme van Einstein, als een onpersoonlijke kracht wordt ervaren, een mechaniek, of een aflopend computerprogramma waar-bij ons heelal de hardware is. God doet iets en wij doen iets aan God. Er is actie en reactie die blijkbaar geen andere taal verdraagt dan die van persoonlijke interactie.

Maar dan is daar ook nog de natuurwetenschap die ons vertelt hoe de wereld in elkaar zit. Die natuurwetenschap ziet niet veel in een God en al helemaal niet in de persoonlijke God van het christelijk geloof. Natuurlijk zijn er gelovige wetenschappers, maar de algehele indruk lijkt die van een spanning te zijn tussen wetenschap en religie. Met name op het vlak van de persoonlijke interactie tussen God en wereld lijken er veel problematische kanten te zitten aan het religi-euze spreken.

3 JAMMER 1999, 51.

Page 13: God en de menselijke maat

13

Dat bleek weer eens toen in begin 2005 in Nederland een hevige discussie omtrent Intelligent Design losbarstte. Even woedde er een storm in intellectueel Nederland. Critici van ID vergeleken deze stro-ming met creationisme, verkondigden dat als we ID serieus zouden nemen dat we dan in het ‘Kansas van Europa’ terecht zouden komen, intellectueel geïsoleerd, et cetera. In Amerika hebben aanhangers van ID aangegeven dat ze het concept van ‘intelligent ontwerp’ een brug-functie toeschrijven die de oevers van de natuurwetenschap met die van de theologie moet verbinden. Met name William Dembski spreekt over ID als een theorie van Gods handelen. In de loop van dit boek kom ik nog uitgebreid op (theologische problemen met) ID terug.

Met name dat aspect van het persoonlijk spreken over God, het handelen van God aan en in onze werkelijkheid, roept veel vragen op, vooral ten aanzien van het natuurwetenschappelijk wereldbeeld. In dit boek ga ik in op die kwestie.

Achtergrond en vraagstelling: ‘cultureel sciëntisme’Dit is ongetwijfeld een pretentieus boek en de ideeën die erin beschre-ven staan, zullen niet door iedereen met open armen worden ontvan-gen. Met mijn ideeën ga ik in tegen veel denkers die zich bezighou-den met de interactie tussen godsdienst en wetenschap: het veld van religion & science. Weerstand merkte ik al bij de publicatie van mijn eerdere boek: Chaos, Complexity, and God: Divine Action and Scientism.4 In tegenstelling tot mijn Engelstalige boek (waarin ik meer inga op de theologische omgang met natuurwetenschappelijke theorieën, met name de chaos- en zelforganisatietheorie), wil ik in dit boek meer de nadruk leggen op de theologische en godsdienstwijsgerige aspecten van het spreken over Gods handelen. Toch is de motivatie waaruit dit boek voortkomt dezelfde als bij mijn Engelse boek. Laat ik kort iets vertellen over hoe mijn ideeën tot stand zijn gekomen.

In Chaos, Complexity, and God analyseer ik de modellen van John Polkinghorne en Arthur Peacocke, twee invloedrijke anglicaanse theo-logen en voormalige wetenschappers. Zij nemen de hedendaagse problemen met het spreken over Gods handelen serieus en probe-ren er een oplossing voor te vinden die zowel theologisch als natuur-wetenschappelijk acceptabel is. Echter, in mijn analyse van hun modellen heb ik geprobeerd te laten zien hoe zij meegaan met de natuurwetenschappen, en de theologie schijnbaar moeiteloos aan-passen aan het natuurwetenschappelijk wereldbeeld. Ik stel bij een dergelijke aanpassingsgezindheid grote vraagtekens.

4 SMEDES 2004.

Page 14: God en de menselijke maat

14

Tijdens mijn studie in Princeton aan het Princeton Theological Seminary, eind 2001, kwam ik tot het besef dat Polkinghorne en Peacocke een erg Engelse stijl van denken hebben, waarbij theologie en natuurwetenschap op hetzelfde niveau lijken te staan. Uitspraken over God en uitspraken over bijvoorbeeld sterrenstelsels lijken op elkaar, ze lijken dezelfde grammatica te delen. Taalkundig klopt dat misschien, maar taalfilosofisch wordt dat moeilijk. Ik had tijdens de colleges dogmatiek en godsdienstwijsbegeerte in Groningen al van mijn leermeesters Luco van den Brom en Andy Sanders geleerd dat woorden hun betekenis juist krijgen doordat ze in een bepaalde con-text gebruikt worden. Als je de contextgebondenheid van taal serieus neemt, hoe kun je dan zo gemakkelijk zeggen dat uitspraken over God en over de wereld op hetzelfde niveau staan? Is er dan niet een logisch verschil in die uitspraken, dat duidelijk wordt wanneer je gaat kijken naar de context waarin die taal geworteld is?

Na verloop van tijd begon het steeds meer tot me door te dringen dat er iets fundamenteel fout zit bij benaderingen zoals die van Pol-kinghorne en Peacocke, hoe interessant die ook mogen zijn. Veel theo-logen en natuurwetenschappers laten zich leiden door een natuur-wetenschappelijke manier van denken die een soort lingua universalis veronderstelt, namelijk een natuurwetenschappelijke manier van spreken over de werkelijkheid. Religieus en natuurwetenschappelijk taalgebruik worden daarbij gelijkgeschakeld. Het spreken over Gods handelen wordt causaal geïnterpreteerd, alsof God tegen dingen in onze werkelijkheid duwt of eraan trekt.

Ik geef toe, een dergelijke door de natuurwetenschappen geïnspi-reerde manier om over de verhouding tussen godsdienst en weten-schap te denken, is heel gewoon geworden in onze Westerse cultuur. Sterker nog: ook veel theologen en gelovigen denken en spreken op een dergelijke manier over God. Ik noem deze manier van denken cultureel sciëntisme en argumenteerde in Chaos, Complexity, and God dat Polkinghorne en Peacocke dit cultureel sciëntisme niet alleen huldigden, maar door hun theologische geschriften nog verder aan gelovigen opdrongen. Juist door op een wetenschappelijke manier met Gods handelen om te gaan, wordt bij gelovigen de indruk gewekt dat dit de manier is om met theologische problemen om te gaan en dat Gods handelen een natuurwetenschappelijk probleem is.

Om een voorbeeld te geven: de natuurwetenschappen veronder-stellen een causaal gesloten wereldbeeld. Wanneer gelovigen en theo-logen spreken over Gods handelen, dan is daarvan de implicatie dat een transcendent wezen causaal ingrijpt in onze werkelijkheid. Zo’n ingrijpen is direct in strijd met een causaal gesloten wereldbeeld, en

Page 15: God en de menselijke maat

15

daarmee is een conflict geboren. Polkinghorne en Peacocke nemen dit probleem serieus en gaan de uitdaging aan om de redelijkheid van het geloof in een transcendente, handelende God te verdedigen in het licht van het huidige natuurwetenschappelijke wereldbeeld. Op zich is daar niets mis mee. Echter, het probleem is dat ze veel theologische en natuurwetenschappelijke trucjes toepassen om de theologie com-patibel met het natuurwetenschappelijk wereldbeeld te krijgen. Eén van die trucs is om te proberen Gods handelen steeds onzichtbaar-der te maken, zozeer zelfs dat met een beroep op kenosis (Gods ‘zelf- beperking’) Gods aanwezigheid in onze werkelijkheid vrijwel wordt weggeredeneerd.

God en de menselijke maatDoor op een natuurwetenschappelijke wijze over God te denken, wordt God gereduceerd tot de menselijke maat. Over God kan nog slechts gesproken en gedacht worden op het moment dat er natuur-wetenschappelijk gezien ruimte voor is. Bovendien lijkt ons voor-stellingsvermogen de grens te zijn voor wat mogelijk is. Gods wer-kelijkheid is zo niet langer de grens van onze geschapen werkelijk-heid. Nee, de zaken worden radicaal omgekeerd. Gods werkelijkheid wordt begrensd door de werkelijkheid van de natuurwetenschappen en ons menselijk voorstellingsvermogen.

Bovendien kan de aanpassingsdrang van veel (hoewel gelukkig niet alle) geleerden in religion & science leiden tot een roekeloze ver-werpingsdrang. Als theologische dogma’s niet langer lijken te vol-doen, worden ze onherroepelijk weggegooid. Zo gaat Peacocke bij-voorbeeld met de christelijke eschatologie om, die door hem wordt beschouwd als oeverloos gespeculeer over de toekomst van het heelal.

Daarbij wordt over het hoofd gezien dat religieuze taal (waar de theologie zich ten dele van bedient, naast haar eigen theologisch jar-gon) haar betekenis ontleent aan de religieuze context van aanbidding en eerbied. Spreken over Gods handelen heeft een heel andere bete-kenis dan wanneer we spreken over menselijk handelen. Gelovigen gebruiken weliswaar dezelfde woorden wanneer ze over God spre-ken als wanneer ze over onze wereld spreken, maar dat wil nog niet zeggen dat die woorden ook hetzelfde betekenen. Juist de verwarring van religieus en alledaags taalgebruik zorgt ervoor dat er problemen tussen godsdienst en natuurwetenschap ontstaan. Mijn bewering is echter dat die problemen voor het merendeel illusies zijn! Door te spreken over een conflict tussen godsdienst en wetenschap houden we onszelf voor de gek omdat we alles door een natuurwetenschap-

Page 16: God en de menselijke maat

16

pelijke bril bekijken. En zoals het spreekwoord zegt: als je alleen een hamer hebt, bestaat de hele wereld slechts uit spijkers.

Het was mijn kritiek op veel van wat er op het gebied van religion & science wordt bediscussieerd, die van Polkinghorne en Peacocke weer kritiek uitlokte.5 Daarbij vielen ze met name over mijn gebruik van het woordje ‘sciëntisme’. Mijns inziens hebben ze mijn punt niet begrepen. Ik bedoel er niet mee dat zij alles bewust willen reduceren tot natuurwetenschap, zoals bijvoorbeeld E.O. Wilson in zijn boek Consilience kunst en religie reduceert tot natuurwetenschappelijke aspecten.6 Nee, met het begrip ‘cultureel sciëntisme’ probeer ik aan te geven dat het gaat om een algemene, veelal onbewuste manier van denken, die weliswaar geïnspireerd is door de natuurwetenschappen, maar die in zekere zin de denkwijzen, die in de natuurwetenschappen gangbaar zijn, uit die wetenschap ‘losweekt’ en als hamers gebruikt om alle spijkers die ze ziet plat te rammen. De vraag is echter of onze wereld uit spijkers bestaat. En of timmeren de enige zinvolle activiteit van mensen is.

Een bijdrage aan de interactie tussen theologie en natuurwetenschapIn dit boek probeer ik mijn standpunten en ideeën ten aanzien van het verschil tussen religieus en wetenschappelijk taalgebruik en daarmee het verschil tussen een religieus en een wetenschappelijk perspectief op de werkelijkheid toegankelijk te maken voor een breed publiek. Ik heb daarbij absoluut niet de pretentie om het laatste woord in dezen te hebben gesproken. Verre van dat! Ik doe een poging om een bij-drage te leveren aan een discussie die in de twintigste eeuw steeds prominenter is geworden: hoe godsdienst en theologie aansluiting kunnen vinden bij de bredere cultuur waarin ze zijn ingebed en waar-van ook de natuurwetenschap een zeer belangrijk onderdeel is.

Ik ben ervan overtuigd dat godsdienst en theologie die aansluiting kunnen vinden, maar niet door van theologie en natuurwetenschap een kunstmatige eenheidsworst te maken die vlees noch vis is. In dit boek probeer ik te verdedigen dat juist in het zoeken naar de verschil-len tussen het godsdienstige en natuurwetenschappelijke perspectief

5 Nadat ik een exemplaar van mijn proefschrift naar Polkinghorne en Peacocke had gestuurd, ontving ik van beide een brief waarin zij met typisch Engelse beleefdheid mijn kritiek op hun werk weerspraken. Beide reageren uitgebreid op mijn boek in ESSSAT News 15:4 (december 2005), 9-12, te raadplegen op de ESSSAT-website: http://www.esssat.org.

6 WILSON 1998.

Page 17: God en de menselijke maat

17

op de werkelijkheid, aan de eigenheid en integriteit van beide recht kan worden gedaan. Die eigenheid en integriteit komt volgens mij in het taalgebruik tot uiting. Vandaar dat ik mijn insteek in dit boek neem in het spreken over God en wereld en hun interactie. In het spre-ken komt tot uiting hoe iets beleefd wordt en hoe dus iets is. Dat gelo-vigen zeggen dat de wereld ‘Gods schepping’ is, brengt een bepaalde beleving van de wereld tot uiting. Dat natuurwetenschappers zeggen dat de wereld ‘door de oerknal is ontstaan’, geeft eveneens uitdruk-king aan een bepaalde beleving van de wereld.

In dit boek wordt vooral het voorwerk geleverd: wat betekent het theologisch dat gelovigen spreken over Gods handelen? Hoe een interactie tussen theologie en natuurwetenschappen tot stand kan komen, gaat buiten het bestek van dit boek – hoewel ik door het hele boek heen (en met name in het laatste hoofdstuk) wel mogelijkheden probeer aan te geven. De dialoog tussen theologie en natuurweten-schap ligt mij zeer na aan het hart. Ik hoop dan ook dat ik met dit boek die interactie zal bevorderen, allereerst door een reflectie op de eigenheid van beide disciplines om vervolgens in alle bescheidenheid en zoveel mogelijk zonder vooroordelen een hand uit te steken naar de ander.

De structuur van dit boekIn dit boek wordt dus een aanzet gegeven tot het reflecteren over de eigenheid van theologie ten opzichte van natuurwetenschappelijke denkwijzen. In twaalf hoofdstukken wordt een aantal aspecten van de christelijke godsleer en scheppingsleer besproken. De spil waar-omheen mijn betoog draait, is de kwestie van de schijnbare spanning tussen het religieuze spreken over Gods handelen en het natuur-wetenschappelijk wereldbeeld.

In het enigszins methodisch opgezette eerste hoofdstuk leg ik uit wat ik als de taak van de theologie beschouw: het analyseren en toet-sen op adequaatheid van het spreken over God. Theologie heeft dus voor mij alles te maken met taalgebruik en de ‘categoriefouten’ die in het spreken over God worden gemaakt. Centraal criterium van die beoordeling is de aanbiddenswaardigheid van God. In hoofd-stuk twee en drie wend ik mij tot het veld van religion & science. In die hoofdstukken ga ik in op het nog altijd populaire idee dat er een conflict is tussen godsdienst en wetenschap. In hoofdstuk twee schets ik de historische achtergronden van het conflictidee in Amerika en Europa. In hoofdstuk drie leg ik uit waarom ik denk dat een conflict tussen beide een illusie is, die berust op een categoriefout. Die cate-goriefout is te herleiden tot het culturele sciëntisme dat de natuur-

Page 18: God en de menselijke maat

18

wetenschappelijke kennis en derhalve de mens tot maat aller dingen verheft, inclusief het spreken over God.

In hoofdstuk vier maak ik een begin met een analyse van het gelo-vig spreken over God om zo te pogen de eigenheid van het religieuze spreken te achterhalen. Wat doen gelovigen en theologen wanneer ze over God spreken? Wat of wie wordt met ‘God’ aangeduid? Vervol-gens, in hoofdstuk vijf, wordt dat spreken over God meer toegespitst op spreken over Gods handelen, door nauwkeurig te kijken wat er wordt bedoeld met spreken over de wereld als ‘schepping’. Hoofd-stuk zes is dan een reflectie over de relatie tussen het christelijk spre-ken over schepping en het natuurwetenschappelijk spreken over de oerknal. Sluiten schepping en oerknal elkaar uit, zijn ze compatibel, of is er iets heel anders aan de hand?

In hoofdstuk zeven komt expliciet de vraag aan de orde wat bedoeld wordt als er gesproken wordt over ‘Gods handelen’. Wat bedoelen we met ‘handelen’ in het algemeen en wat bedoelen gelo-vigen als ze specifiek over Gods handelen spreken? Het betoog over Gods handelen wordt voortgezet in hoofdstuk acht, dat het spreken over Gods voorzienigheid tot uitgangspunt neemt. Hoofdstuk negen bespreekt de natuurwetenschappelijke problemen met het wonder-begrip en hoe daar theologisch mee om moet worden gegaan. De actuele discussie over Gods handelen en Intelligent Design wordt in hoofdstuk tien aan de orde gesteld. Ik geef niet alleen een overzicht van de hoofdpunten van ID, maar geef bovendien aan waarom ik, vanuit een theologisch perspectief, ID eigenlijk onzin vind.

In hoofdstuk elf ga ik in op het recente idee dat God de wereld een zeer grote zelfstandigheid heeft toegewezen. Dit idee wordt vaak uit-gewerkt met een beroep op het begrip kenosis (‘zelfbeperking’ Gods). Hoofdstuk twaalf, ten slotte, is een afrondende reflectie over de resul-taten uit de voorgaande hoofdstukken en de vraag hoe de interactie tussen theologie en natuurwetenschap verder voortgezet kan wor-den, met inachtneming van de in dit boek besproken punten.

Enkele opmerkingen voorafEnige methodische opmerkingen zijn hier nog op hun plaats. In de eerste plaats: ik spreek in het vervolg van het boek niet over ‘goede’ of ‘foute’ theologie, of over ‘juist’ of ‘verkeerd’, maar liever over adequate of inadequate theologie die gepast dan wel ongepast over God spreekt. Hoe God is, daar hebben we geen weet van. We kunnen alleen ver-woorden hoe we God ervaren en daarbij lijken sommige spreekwijzen beter en andere slechter te passen. Ik kan dus niet zeggen of een theo-logie goed of fout is, want dat zou impliceren dat ik precies weet hoe

Page 19: God en de menselijke maat

19

het zit. Ik kan alleen mijn redenen geven voor wat naar mijn mening adequate of inadequate wijzen van spreken zijn. Maar ook dat laatste staat niet vast, maar verandert met tijd en plaats. Theologie is vanuit mijn perspectief dynamisch, fragmentarisch en relativistisch. Contex-tualiteit voert altijd de boventoon.

Vervolgens (en voortbordurend op de vorige opmerking): ik schrijf af en toe ‘God is…’ Daarmee bedoel ik niet dat ik weet hoe of wat God is. Het is een soort afkorting voor ‘Over God wordt door gelovigen en theologen gesproken als…’ Soms wordt die formulering expliciet gebruikt, soms wordt de ‘afkorting’ gebruikt.

Wat versta ik allemaal onder ‘natuurwetenschappen’? Hier- onder versta ik kortweg die wetenschappen die proberen met behulp van theoretische en experimentele instrumenten de structuur en het gedrag te verklaren van de realiteit zoals die zich aan mensen voor-doet. Onder natuurwetenschappen versta ik dus niet alleen de ‘echte’ natuurwetenschappen zoals biologie, natuurkunde en scheikunde, maar ook de meer abstracte theoretische wetenschappen zoals de wiskunde.

Soms gebruik ik termen als ‘universum’, ‘heelal’ en ‘onze’ of ‘de wereld’ min of meer als synoniemen. Het gevaar bestaat namelijk dat een woord als ‘universum’ een gevoel oproept dat het gaat om de totale leegte die onze aarde omringt, zonder dat daarbij bedacht wordt dat ook wij met onze aardbol deel uitmaken van, en verbonden zijn met dat universum. Ik versta dus onder ‘het universum’ alles wat er bestaat. Maar als ik zeg dat God ‘bestaat’, valt God dan niet binnen die definitie? We zullen het hier nog wel over hebben, maar ik denk dat we het woordje ‘bestaan’ anders gebruiken wanneer we het toepassen op God, dan wanneer we het toepassen op de dingen in ons universum. Al ons spreken over God draagt een wat eigenaardig karakter. Dit is enerzijds te wijten aan de eindigheid van taal, die verbonden is met onze eigen eindigheid, en anderzijds met het totaal anders-zijn van God zelf. Ik zal hier in de volgende hoofdstukken uitgebreid op ingaan.

Vervolgens de kwestie wat ik onder ‘godsdienst’ versta. Ook op deze ingewikkelde kwestie wil ik niet al te diep ingaan. Laat ik het zo stellen: onder godsdienst of religie (ook deze twee gebruik ik als synoniemen) versta ik het geheel van menselijk geloof en aanbidding zoals dat tot uitdrukking komt in de verhalen, rituelen, tradities en de structuur van een geloofsgemeenschap. (Wat ik met ‘theologie’ bedoel, is het onderwerp van het eerste hoofdstuk.) Wanneer ik in het vervolg over godsdienst of religie spreek, dan heb ik het over het christendom, tenzij anders aangegeven. De reden hiervoor is aller-

Page 20: God en de menselijke maat

20

eerst dat ik mezelf plaats in de traditie van het christendom, en dan vooral de Westerse, protestantse variant ervan. Bovendien weet ik te weinig van andere godsdiensten om ook voor hen te spreken. Ik sluit echter niet uit dat de dingen die ik zeg ook relevant zijn voor andere godsdiensten.

Ik wil nog een laatste woordje zeggen over het gebruik van ‘Hij’ of ‘Zij’ wanneer ik God aanduid. Zoals ik in het volgende hoofdstuk zal bespreken, zijn dergelijke aanduidingen nuttig, maar niet hei-lig. Ik geef Gereformeerde Bonders ongelijk als ze halsstarrig willen vasthouden aan de mannelijkheid van God, maar ook geef ik radicale feministen ongelijk wanneer ze alle mannelijkheden in vrouwelijkhe-den willen veranderen. God is transcendent en overstijgt als zodanig ook onze taal. Wanneer ik op de volgende bladzijden spreek over God als ‘Hij’ (ik probeer het zoveel mogelijk te vermijden) dan moet daarbij worden bedacht dat ik God daarmee niet mannelijk maak of wil zien, maar dat ik mij conformeer aan wat gangbaar is in de Neder-landse taalkunde. Het staat een ieder vrij om waar ik ‘Hij’ schrijf, ‘Zij’ of ‘Het’ erbij te denken – mits daar maar bij bedacht wordt dat we ook die aanduidingen niet mogen verabsoluteren.

Spreken over God is zodoende een delicate aangelegenheid. Zo nu en dan zal er derhalve ook kort worden gereflecteerd over ons taal-gebruik. Dat kunnen waarschuwingen zijn, maar het zijn soms ook aanmoedigingen tot een creatiever omgaan met (religieuze) taal.

BronvermeldingHet was de bedoeling dat dit een min of meer populair-wetenschap-pelijk boek zou worden. Als het ware een kijkje in de keuken van de theologie. Vandaar ook dat ik geprobeerd heb om literatuurver-wijzingen tot een minimum te beperken, ofschoon achter dit boek veel leeswerk schuilgaat. Of ik geslaagd ben in mijn opzet om een laagdrempelig, interessant boek over een fascinerend onderwerp te schrijven, laat ik aan het oordeel van de lezer over. Ik heb er in ieder geval met veel plezier aan gewerkt en ik hoop dat dat plezier ook op de volgende pagina’s voelbaar wordt. Reflecteren over theologische en godsdienstwijsgerige zaken is soms een serieuze aangelegenheid, maar bovenal is het ongelooflijk interessant en leuk – als die bood-schap overkomt, dan ben ik al zeer tevreden.

Zoals reeds opgemerkt, raakt dit boek aan het onderwerp van mijn eerdere, Engelstalige boek Chaos, Complexity, and God: Divine Action and Scientism (Leuven: Peeters 2004). Ook het huidige boek draait rond de problematiek van Gods handelen, hoewel vooral de theolo-gische context breder wordt belicht dan in het Engelstalige boek het

Page 21: God en de menselijke maat

21

geval was. In het voorliggende boek behandel ik onderwerpen die aan de problematiek van Gods handelen raken, zoals de relatie tussen oerknal en scheppingsleer en Intelligent Design. Bovendien verschilt dit boek van het Engelstalige in die zin dat het theologisch een stuk verdergaat, terwijl het de taaie godsdienstwijsgerige analyses van het Engels vermijdt. Daardoor is het boek naar ik hoop toegankelijker geworden, maar uiteraard is er een verlies ten aanzien van filosofi-sche diepgang. De lezer die deze filosofische diepgang alsnog wil, zij verwezen naar het genoemde Engelstalige boek. Dit boek is geschreven in een periode van ongeveer twee jaar, met veel lange tussenpozen. Het meeste materiaal is hier voor het eerst in druk te vinden. Sommige delen van het boek dateren van twee jaar terug, andere delen zijn net enkele weken voor het schrijven van deze inleiding voltooid. (Het hoofdstuk over kenosis moet zelfs op het ogenblik dat ik dit schrijf nog worden voltooid, wat maar weer eens de ‘nonlineariteit’ van het schrijfproces aantoont!) Waar het relevant was, heb ik materiaal uit reeds gepubliceerde of nog te publiceren artikelen gebruikt, meestal in gewijzigde vorm. Het was immers niet de bedoe-ling om een artikelenbundel te publiceren, maar een originele mono-grafie. In dit boek zijn delen van de volgende publicaties verwerkt:

T.A. Smedes, ‘God, geloof en natuurwetenschap: Vragen naar zin of onzin?’, in: B. Voorsluis (red.), Ongekend Nieuwsgierig: Zinvragen en Wetenschap. Zoetermeer: Meinema 2005, 70-86.

T.A. Smedes, ‘“Intelligent Design”: Is het Wetenschap of Theologie? Achtergronden van een groeiende controverse’, in: Nederlands Theo-logisch Tijdschrift 59, april 2005, 106-123.

T.A. Smedes, ‘Theologie, natuurwetenschap en het probleem van de menselijke maat’, in: C. Dekker, R. Meester en R. van Wouden-berg (red.), En God Beschikte een Worm... Over Evolutie en Scheppings-geloof. Kampen: Ten Have 2006.

Nog een laatste opmerking over de citaten in dit boek. Tenzij in de bibliografie een Nederlandstalige editie van een boek is vermeld, zijn vertalingen van Engels- en Duitstalige citaten van eigen hand. Voor bijbelcitaten heb ik gebruik gemaakt van de herziene Willibrordverta-ling uit 1995.

Taede A. SmedesHillegom/Leiden, 20 januari 2006

http://www.tasmedes.nl