institutionele druk en responsiestrategieأ«n ... l.m.m. schouten master thesis 2 voorwoord na een...

Download Institutionele druk en responsiestrategieأ«n ... L.M.M. Schouten Master Thesis 2 Voorwoord Na een flinke

If you can't read please download the document

Post on 21-Jun-2020

0 views

Category:

Documents

0 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

  • Institutionele druk en responsiestrategieën

    Shell tijdens de olie- en gasreservekwestie

    Lian M. M. Schouten, 1458582

    Amsterdam, juni 2006

    Master thesis BCO

    Faculteit Sociale Wetenschappen

    Vrij Universiteit te Amsterdam

    Begeleidster: dr. Y. Taminiau

    Tweede lezer: dr. A.M.J. van Hoof

  • L.M.M. Schouten Master Thesis

    2

    Voorwoord

    Na een flinke dosis inzet, talloze koppen koffie en te veel Dextro Energy’s is het dan toch gelukt:

    mijn master thesis is af! Na maanden achter mijn computer te hebben doorgebracht is het moment dan

    toch aangebroken dat ik lekker van de zon kan gaan genieten en mijn sociale leven weer kan

    oppakken. Alvorens ik het terras op duik zou ik graag een aantal mensen willen bedanken.

    Als eerste mijn afstudeerbegeleidster dr. Yvette Taminiau. Ik vond het erg leuk dat je me benaderde

    voor deze master thesis. Dank voor al je feedback en je vertrouwen in mij. Ook wil ik meelezer dr.

    Anita van Hoof bedanken. Ik hoop dat jullie allebei plezier zullen hebben in het lezen van deze master

    thesis.

    Ook zou ik graag mijn vrienden en familie willen bedanken voor de vele lieve en soms wat bezorgde

    telefoontjes die ik de afgelopen tijd heb mogen ontvangen. Aan mijn collega’s en baas wil ik ook

    graag mijn dank uitspreken. Ik waardeer jullie flexibiliteit, interesse en steun enorm. Tot slot wil ik

    met name Rick bedanken voor al zijn steun, begrip en vooral geduld.

    Lian Schouten

    Haarlem, 30 juni 2006

  • L.M.M. Schouten Master Thesis

    3

    Samenvatting

    De bekendmaking van Shell in januari 2004 dat de organisatie 20 procent van haar olie- en

    gasreserves niet meer als ‘bewezen’ kon boeken kwam als een klap aan bij aandeelhouders,

    beurstoezichthouders, kredietbeoordelaars, medewerkers en andere organisaties die met Shell zijn

    verbonden op basis van de boekhouding van olie- en gasreserves. Dit gaat in tegen de het idee uit de

    institutionele theorie dat er sprake is van isomorphisme: organisaties gaan steeds meer op elkaar

    gelijken doordat zij algemeen aanvaarde normen en gebruiken aanhangen (DiMaggio en Powell,

    1983). Deze homogeniteit onder de organisaties wordt volgens DiMaggio en Powell (1983)

    veroorzaakt door drie mechanismen van isomorphisme waarin druk wordt uitgeoefend op organisaties

    om zich te voegen naar institutionele normen en gebruiken. De drie soorten druk die leiden tot

    gelijkvormigheid betreffen dwang door regelgeving, normatieve druk door professionalisering, en

    nabootsende druk door onderprestatie in vergelijking tot concurrenten. Een nadeel van deze

    conformering is de beperking van keuzevrijheid die de organisaties ondervinden, waar ook wel aan

    gerefereerd wordt als bureaucratie.

    Zoals de afwijking van Shell aangeeft is er enige speelruimte in de druk om te conformeren aan

    institutionele normen. Dit wordt beschreven door Oliver (1991) die het agentschap van individuele

    organisaties onderstreept en stelt dat zij verschillende maten van weerstand kunnen bieden aan

    institutionele druk. Zij verdeelt deze maten van weerstand in vijf strategieën in oplopende mate van

    weerstand, te weten: berusting, tegemoetkoming, ontwijking, verzet en manipulatie. De keuze voor

    een strategie hangt volgens Oliver (1991) af van een aantal factoren, maar hierin wordt geen

    onderscheid gemaakt tussen de soorten druk die DiMaggio en Powell (1983) onderscheiden.

    De crisis van Shell biedt een ideale casus om de dynamiek tussen druk vanuit het macroniveau

    (regelgevers, concurrenten en andere constituenten) en de reacties op het microniveau (de strategieën

    van individuele organisatie) nader te bestuderen. Dit onderzoek biedt daarmee gehoor aan de vraag om

    gedetailleerd kwalitatief onderzoek vanuit het vakgebied (Louche, 2004) en doet een poging om

    nieuwe verbanden aan het licht te brengen tussen de twee niveaus. De probleemstelling betreft de

    vraag in hoeverre er een verband is te ontwaren tussen de verschillende soorten institutionele druk die

    op Shell zijn uitgeoefend en de gevolgde strategieën van Shell tijdens de olie- en gasreserves crisis.

    Dit onderzoek is gedaan aan de hand van een conceptueel model dat gebaseerd is op de theorieën

    van ondermeer DiMaggio en Powell (1983), Oliver (1991), Scott (1995, 2001) en Kondra en Hinings

    (1998). Dit model laat zien dat een organisatie legitimiteit ontleent aan haar conformering met een

    institutie, wat leidt tot isomorphisme in het organisatieveld dat behoort bij deze institutie. De eerder

    genoemde drie soorten druk om te conformeren alsmede de vijf strategieën van Oliver (1991) samen

    met proactie van Cashore en Vertinsky (2000) komen terug in dit model om de dynamiek tussen het

    macroniveau van het organisatieveld en het microniveau van de individuele organisatie weer te geven.

  • L.M.M. Schouten Master Thesis

    4

    De resultaten zijn verkregen middels een casestudie van de genoemde crisis waar Shell in verkeerde.

    De gegevens komen uit twee kranten en betreffen handelingen van een groot aantal actoren in het

    organisatieveld. De handelingen zijn gecodeerd naar soort druk of strategie en weergegeven in een

    tijdlijn, frequentiegrafiek en verhoudingendiagram voor kwalitatieve analyse in een ‘real-life’ setting.

    Uit de resultaten komen een zestal nieuwe inzichten naar voren die zijn geformuleerd in een aantal

    hypotheses voor nader onderzoek. De onderzoeksvraag welke verbanden er zijn tussen de

    verschillende soorten druk en de strategieën is maar in beperkte mate beantwoord wegens een

    tekortkoming van de krantenanalyse. Doordat uit de krantenanalyse voornamelijk de dwang naar

    voren komt kunnen er weinig verbanden worden gevonden met de andere soorten druk.

    Uit de analyse komt naar voren dat de gekozen strategie niet is te koppelen aan alleen de soort druk

    of het mechanisme waar vanuit de druk voortkomt. Druk X leidt dus niet altijd tot responsiestrategie Y

    binnen tijdspanne Z. Wel opvallend is dat druk vanuit het dwingende mechanisme in de meeste

    gevallen uiteindelijk leidt tot berusting van Shell.

    Ook blijkt dat het conceptueel model nog enige ruimte biedt voor nuancering in de soort druk.

  • L.M.M. Schouten Master Thesis

    5

    Inhoudsopgave

    1. INLEIDING ...................................................................................................................................... 8

    1.1. AANLEIDING ................................................................................................................................... 8

    1.2. RELEVANTIE ................................................................................................................................... 9

    1.3. DOELSTELLING ............................................................................................................................. 10

    1.4. PROBLEEMSTELLING ..................................................................................................................... 10

    1.5. ONDERZOEKSMETHODE ................................................................................................................. 10

    1.6. SAMENSTELLING VAN DE THESIS .................................................................................................... 11

    2. INSTITUTIONELE THEORIE ...................................................................................................... 12

    2.1. INSTITUTIONALISME: OUD EN NIEUW ............................................................................................. 12

    Het oude institutionalisme .................................................................................................................. 12

    Het nieuwe institutionalisme ............................................................................................................... 14

    2.2. ENKELE DEFINITIES ....................................................................................................................... 15

    Instituties............................................................................................................................................ 15

    Organisatieveld .................................................................................................................................. 16

    Institutionalisering ............................................................................................................................. 17

    Legitimiteit ......................................................................................................................................... 18

    2.3. MECHANISMEN VAN INSTITUTIONELE DRUK ................................................................................... 20

    Dwingend isomorphisme ..................................................................................................................... 21

    Normatief isomorphisme ..................................................................................................................... 22

    Nabootsend isomorphisme .................................................................................................................. 23

    2.4. PILARE