study of neolithic bone in ritual context

Download Study of Neolithic Bone in Ritual Context

Post on 11-Jul-2015

68 views

Category:

Documents

0 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

KATHOLIEKE UNIVERSITEIT LEUVEN

FACULTEIT LETTEREN

ONDERZOEKSEENHEID ARCHEOLOGIE

De Betekenis van Beenderen in het Neolithicum van het Oude Nabije Oosten

Bachelorpaper Tristan Michiels Promotor Prof. J. Bretschneider

Academiejaar 2010-2011

1

1) INLEIDING _______________________________________________________________________________ 3 2) AFBAKENING _____________________________________________________________________________ 4 3) BRONNEN EN ALGEMENE THEORIE ___________________________________________________________ 4 4) MENSELIJKE SKELETRESTEN _________________________________________________________________ 7 4.1 BEGRAVING __________________________________________________________________________ 7 4.1.1 GRAFRITE TIJDENS HET NATUFIAAN __________________________________________________ 8 4.1.2 BEGRAVING IN HET PPNA__________________________________________________________ 11 4.2 DODENRITUEEL IN HET PPNB__________________________________________________________ 14 4.2.1 ALGEMEEN GRAFRITE ____________________________________________________________ _14 4.2.2 SCHEDELCULTUS IN HET PPNB ______________________________________________________ 15 4.2.3 HET HUIS VAN DE SCHEDELS _______________________________________________________ 19 5) REPRESENTATIES VAN DE SYMBOLISCHE WERKELIJKHEID _______________________________________ 22 5.1 RESTEN VAN DIEREN IN RITUELE CONTEXTEN______________________________________________ 23 5.2 BEELDEN NAAR HET EVENBEELD: BUSTES, FIGURINES EN MASKERS ___________________________ 24 6) ALGEMEEN BESLUIT _____________________________________________________________________ 30 7) BIBLIOGRAFIE___________________________________________________________________________31 8) VERANTWOORDING VAN DE FIGUREN IN DE TEKST____________________________________________ 34

Aantal tekens totaal BA-Paper: 80 953 aantal woorden: 12 170

2

1) Inleiding Het doel van deze paper is een status quaestiones opmaken van de rituele betekenissen die men aan beendermateriaal kan toeschrijven tijdens het epipaleolithicum en het vroege neolithicum in de Levant en Anatolisch plateau. Het besproken materiaal splitst zich op in enerzijds menselijke resten en anderzijds dierlijke resten. Deze categorien worden verder uitgewerkt. In verband met menselijke skeletresten worden vooral begravingen, primaire en secundaire, besproken. Een belangrijk onderdeel van dit essay betreffen de vondsten van apart begraven schedels die al dan niet een postmortale behandeling hebben gekregen. Vanaf het laat Natufiaan opent men graven om schedels een secundaire begrafenis te geven. Deze riten kennen een continuteit in het PPNA en een verdere verdieping in het PPNB om tijdens het PPNC te verdwijnen1. De laatste twee decennia zijn er een aantal interpretaties gevormd die deze praktijk in de ruimere context van de vroegneolithische samenleving kaderen2. Tegelijkertijd begraaft men een deel van de bevolking in huiselijke contexten. Het is belangrijk te reflecteren over dit gegeven. Er worden in verband met secundaire begraving, schedelcultus verwezen naar analogien met recentere etnografische studies. Deze studies werpen een blik op andere tradities. Als onderzoeker ingebed in de hedendaagse westerse cultuur, lijken sommige praktijken vreemd, onnatuurlijk, vuil, De antropologie biedt een venster als het ware om als onderzoeker andere gebruiken te observeren. Gebruiken die we als een referentile analogie zullen integreren, maar niet als een exacte kopie van een hedendaags gebruik naar het verleden extraheren. Een andere categorie betreffen resten van dieren. Hier wordt een onderscheid gemaakt tussen resten voor voedselvoorziening( dewelke bijna niet wordt behandeld)3 en resten van dieren in rituele contexten, zoals bijvoorbeeld in Jerf el Ahmar waar er stierenhorens in bepaalde huizen werden gevonden, dieren bij als grafgift bij inhumaties en beenderen in de vorm van figurines4. Afbeeldingen van runderen, gebruik van horens worden bijna altijd gevonden in correlatie met figurines van vrouwen5. De stier is een symbool dat doorleeft in verschillende tijden en verschillende culturen (bvb tauromachie op Kreta)6, ook in het oude Nabije Oosten7. Vanaf het Natufiaan verschijnen er vele kunstige vormen uit been8. Hiermee raken we een derde belangrijk punt: de productie van beelden. Hiermee doelen we op stles ( Gbekli Tepe), figurines (bvb Ain Gazal), schilderingen (Catal Hyuk). Ook hier geldt het onderscheid tussen voorstellingen van mensen en voorstellingen van dieren. In sommige gevallen worden beiden tegelijkertijd gerepresenteerd. Figurines zijn belangrijk omdat ze , naargelang hun context, kunnen duiden op een magico-religieuze sfeer.

1 2

Zie Kuijt 1996, Kuijt 2000,Rollefson 1983, Rollefson 1986 Kuijt (ed) 2000 3 Bvb Davis 2005 4 Stordeur 2003, Cauvin 1994, Mellaart 1975 5 Cauvin 1994:44-48 6 Gimbutas 1974[198] 7 Cauvin 2000 8 Mellaart 1975: 39-42

3

Marc Verhoevens RItual Framing (cf infra) oppert dat er verschillende archeologische contexte die een neerslag zijn van rites. Hij doelt hiermee op de plaats van een ritueel: de architectuur, de setting van de architectuur in de nederzetting en neolithische tempels. Zijn studie heeft als bedoeling de identificatie van rituele setting vereenvoudigen9. Sommige van deze architectuur komt aan bod.

2) Afbakening De besproken tijd en ruimte is het oude nabije oosten in een periode van het Laat Natufiaan tot een einde van het aceramisch neolithicum (PPN). Concreet betekent dit dat er vooral vondstenmateriaal wordt besproken uit een periode van 11000 BC tot 7000 BC uit de Levant en het Anatolisch Plateau. Algemeen is er bij de onderzoekers een consensus over de continuteit tussen de culturen onderling10. Recent werd dit echter in vraag gesteld. Bockley en Pinhasi revalueerden verscheidene C14 dateringen van verschillende opgravingen om de continuteit tussen het Laat Natufiaan en het PPNA te verifiren. Uit de uitkomst blijkt dat er een hiaat tussen het einde van het Natufiaan en het begin van het PPNA is. De onderzoekers zijn wel bewust dat de methode nog niet op punt staat en verder onderzoek nodig zal zijn om dit punt sterk te maken11. In dit werk wordt uitgegaan van een (culturele) continuteit zoals de meeste onderzoekers ze voorstellen. Chronologische afbakening van de verschillende subgroepen is geen evidentie. Ten eerste omdat het geografisch kader ruim is en ten twee omdat er in diverse streken een variant van een cultuur werd vastgesteld en een aparte plaats in de chronologie krijgt. Veel van de data zijn in BP, omdat er niet altijd een mogelijk is om juist te kalibreren. Voor een overzicht wordt hier de tabel van Jacques Cauvin gebruikt (zie tabel 1).

3) Bronnen en algemene theorie Deze paper is een literatuurstudie. Ze bouwt op artikels die een reeds genterpreteerde visie op de bronnen bieden. De redenen hiervoor zijn divers. Enerzijds zijn de sites die sinds de jaren 50 van de vorige eeuw zijn opgegraven te talrijk om ze allen in detail te bestuderen en bespreken. Anderzijds zijn er de laatste twee decennia vele bijdragen geleverd die zich wentelen in een postprocessuele sfeer en dikwijls vanuit sociaal antropologische ooghoek het archeologisch bestand bestuderen. Er worden constructieve essays geschreven die voortbouwen op de opgravingsverslagen, colloquia en dergelijke. Zaken zoals bijvoorbeeld bepleisterde schedels worden uitvoerig besproken in de literatuur. Het gaat dan niet enkel om hun morfologische kenmerken12, maar ook om hun mogelijke maatschappelijke betekenis13.

9

Verhoeven 2002: 235-238 Kuijt 1996 p 11 Blockley&Pinhasi 2011 12 Strouhal 1973, Fletcher et all 2008 13 Bijvoorbeeld Kuijt 1996, Garfinkel 199410

4

Tabel 1: de chronologie van het vroege neolithicum in het Oude Nabije Oosten

5

Belangrijke recente bijdragen voor de studie van de neolithische samenleving zijn onder andere het boek van Ian Kuijt uit 2000. Daarin leverden de meeste vooraanstaande onderzoekers bijdragen in verband met de reconstructie van neolithische samenleving. Ian Hodder heeft sinds de jaren90 het onderzoek in Catal Hyuk nieuw leven in geblazen. Dit onderzoek brengt schatten aan informatie aan het licht. Het is vanzelfsprekend dat dit vele bijdragen oplevert, deels in de geest van Hodder. Hier en daar worden etnografische linken gelegd ivm tijdsbeleving14 en sociale herinnering15. Er wordt hier niet volgens n paradigma gedacht, maar met het beste van alle werelden in navolging van wijlen Jacques Cauvin: Beyond the overly theoretical controversies between processual archaeologists and contextual archaeologists we are striving to combine clearly the various methods with regard to the neolithic in the Near East.16 Cauvins idee is niet dat de mens landbouw adapteerde en daarna zijn denken veranderde. Hij gaat er van uit dat de ideologische structuur reeds aanwezig was. Dit is drastisch, aangezien de rituelen en de zaken die we vanaf vooral het PPNA zien, niet het gevolg zijn van een verandering in denken. Het denken van de neolithische mens was er al voor het neolithicum. Het idee van de sedentaire mens die landbouw doet en dan pas goden vereerd wordt onderuit gehaald. Hetgeen men de superstructuur acht, wordt de infrastructuur van deze samenleving. De symbolische constructies van de mens zijn geen superstructuur op gang gebracht door het proces van domesticatie. De drijvende kracht komt van binnenuit17. Dit doet denken aan het idee van de domus van Ian Hodder en lijkt hier van afgeleid. Hodder stelt dat eerst de mens gedomesticeerd moest worden, alvorens hij zelf kan domesticeren. De implicaties lijken enorm, maar wanneer men ziet dat het neolithicum niet als een pakket werd ontdekt, kan men aannemen dat de mens in deze tijd en ruimte in verschillende fases verschillende zaken adapteerde. De veranderingen door zijn (actief) ingrijpen in de natuur