herstel van vormgebreken in het burgerlijk herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht...

Download HERSTEL VAN VORMGEBREKEN IN HET BURGERLIJK herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht 308

Post on 06-Aug-2020

1 views

Category:

Documents

0 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

  • HERSTEL VAN VORMGEBREKEN IN HET BURGERLIJK PROCESRECHT

    Prof. dr. Piet Taelman

    Gewoon hoogleraar UGent, ere-advocaat balie Gent

    Dra. Claudia Van Severen Assistent Instituut voor Procesrecht, UGent

    Lic. Jachin Van Doninck Advocaat balie Brussel, praktijkassistent Instituut voor Procesrecht, UGent

  • Wolters Kluwer – Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling 307

    inleiding

    Why should not the courts themselves be, or have potential for being, the best possible legislators in the determination and constant adaptation of the technical rules of pro- cedure with which they have routinely to deal? (M. CAPPELLETTI, “The law-making power of the judges and its limits” in M. CAPPELLETTI (ed.), The Judicial Process in Comparative Perspective, Oxford, Clarendon Press, 1989, (3) 34).

    Deformalisering beoogt (…) geen informeler procesrecht, maar, (…) een minder for- malistische uitleg en toepassing van de regels (W.D.H. ASSER, Fair, redelijk en bil- lijk – Over deformalisering in het burgerlijk procesrecht (Inaugurale rede, gehouden aan de Universiteit Leiden 3 november 2000, Leiden, The Atmosphere, 12)).

    Trop de praticiens vivent le droit judiciaire en pensant à tort qu’une irrégularité pro- cédurale ne peut aboutir que soit à l’annulation ou la déchéance, soit à un lais- ser-faire pouvant conduire au désordre et à l’insécurité (A. FETTWEIS, noot bij Cass. 8 februari 1979, JT 1979, 320).

    AFDELING 1. INLEIDING

    1. Een burgerlijk procesrecht zonder formalisme is ondenkbaar. Om het procesver- loop in goede banen te leiden zijn allerhande (vorm)voorschriften en (termijn)regelen nu eenmaal onontbeerlijk, zonder dat die ooit een doel op zichzelf mogen worden. Het Gerechtelijk Wetboek luidde een stevige deformaliseringstendens is. De – gedu- rende de voorbije vier decennia – opeenvolgende ingrijpende wijzigingen ervan heb- ben die ontwikkeling verder versterkt. Een en ander spoorde met een gelijklopende evolutie in onze buurlanden en leidde tot een meer genuanceerde reflectie over de rol en de werking van de diverse sanctiemechanismes. Hierbij werd alsmaar meer reke- ning gehouden met alle in het burgerlijk proces betrokken belangen, inclusief dat van het broodnodige vertrouwen in justitie.

    Toch kunnen we moeilijk om de vaststelling heen dat de civiele procedureregels (die zowel in wetboeken als in bijzondere wetgeving voorkomen) nog steeds al te weinig coherentie vertonen. Een inadequate, nodeloos uiteenlopende terminologie en de –  mede daardoor – soms onvakkundige ijking van de sanctie die bij miskenning van een dergelijk voorschrift toepassing kan vinden, zijn daaraan debet.1 Een en ander staat een klare kijk op de materie soms in de weg en laat te vaak de weleens schuchtere wetgevende en jurisprudentiële stappen naar verdere deformalisering onderbelicht.

    1. Vgl. H. Boularbah en X. Taton, “Les vices de forme et les délais de procédure. Régime général et irrégularités spécifiques” in H. Boularbah en J.-F. Van Drooghenbroeck (eds.), Les défenses en droit judiciaire, Brussel, Larcier, 2010, (101) 156, nr. 98; P. Van Orshoven en B. Allemeersch, Tussen gelijk hebben en gelijk krijgen, Leuven, Acco, 2013, 215, nr. 273.

  • herstel van vormgebreken in het burgerlijk procesrecht

    308 Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling – Wolters Kluwer

    Met onze bijdrage beogen we meer inzicht en begripsverheldering te brengen. Daar- bij hebben we de ambitie zoveel mogelijk recente wetgevende en jurisprudentiële ontwikkelingen binnen het aangesneden domein in kaart te brengen en kritisch te bespreken. Onze analyse beperkt zich bewust niet tot het klassieke toepassingsgebied van de nietigheidsleer. Het begrip “vormgebreken” in de titel van onze bijdrage moet breed worden gelezen en slaat op de miskenning van formele rechtsregels.2

    Deze bijdrage werd einde april 2015 afgesloten. De belangrijke wijziging die door de wet 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie3 aan de nietigheidsleer werd aangebracht, blijft – op een korte duiding in het Naschrift (zie infra, nr. 76) na – onbesproken.

    AFDELING  2. GEMEENRECHTELIJK HERSTELMECHANISME INZAKE VORMGEBREKEN: DE LEER VAN DE NIETIGHEID EN HET VERVAL

    § 1. Toepassingsgebied van de nietigheidsleer

    2. Algemeen – Uit artikel 860, eerste lid Ger.W. volgt dat de nietigheidsleer toepassing vindt op het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van een concrete proces- handeling.4 De werkingssfeer van de nietigheidsleer hangt dus af van de draagwijdte van de begrippen (1) proceshandeling en (2) verzuimde of onregelmatig verrichte vorm.

    3. Het begrip “proceshandeling” – Het Hof van Cassatie omschreef de proceshan- deling (acte judiciaire) als “een handeling die in het kader van een proces of onder toezicht van het gerecht, door de partijen, hun gevolmachtigden of het hulppersoneel van de rechter is verricht”.5

    Hieruit blijkt dat dit begrip vanuit een dubbel oogpunt ruim moet worden inge- vuld. Vanuit subjectief oogpunt gaat het zowel om handelingen die persoonlijk door

    2. Vgl. K. Wagner, Burgerlijk procesrecht in hoofdlijnen, Antwerpen, Maklu, 2014, 63, nr. 38. 3. BS 22 oktober 2015. 4. Art. 860, eerste lid Ger.W.: “Wat de verzuimde of onregelmatig verrichte vorm ook zij, geen proceshandeling kan

    nietig worden verklaard (...)”. 5. Cass. 28 april 1988, Ann.dr.Lg. 1989, 185, noot G. De Leval en Arr.Cass. 1987-88, 1088; vgl. concl. T. Werquin

    bij Cass. 19 april 2002, Arr.Cass. 2002, (1053) 1054; zie ook B. Deconinck, “Art. 860, 1° Ger.W.” in Comm.Ger., Mechelen, Kluwer, 1998, losbl., 26-27, nr. 27; R. Soetaert, “Het toepassingsgebied van de nietigheidsregeling in de artikelen 860-867 Gerechtelijk Wetboek”, TPR 1980, (165) 168, nr. 5; J. Van Compernolle, “Le Code judiciaire et la théorie des nullités” (noot onder Cass. 15 november 1976), RCJB 1977, (606) 608-609.

  • Wolters Kluwer – Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling 309

    gemeenrechtelijk herstelmechanisme inzake vormgebreken: de leer van de nietigheid en het verval

    de partijen of hun raadslieden worden verricht, als om handelingen verricht door gerechtsdeurwaarders, griffiers6 (“hulppersoneel van de rechter”), notarissen, getuigen en deskundigen enz.7 Vanuit objectief oogpunt betreft het alle handelingen waardoor een geding wordt ingeleid of voortgezet, met inbegrip van de handelingen die worden gesteld ter uitvoering van de rechterlijke beslissing.8 Ook handelingen verricht ter voorbereiding van het eigenlijke geding, zoals een voorafgaande oproeping in ver- zoening, vallen onder de noemer proceshandeling.9 Zijn daarentegen geen proces- handelingen: conventionele akten10, notariële authentieke akten11 en administratieve rechtshandelingen.12

    Niet-rechtsprekende handelingen van een rechter, zoals een getuigenverhoor13, het opmaken van een proces-verbaal van minnelijke schikking en de beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zijn ook proceshandelingen.14

    6. Zie bv. Cass. 29 april 1971, JT 1971, 605, waarin het Hof oordeelt dat de termijn van vijf dagen voorzien in art. 723, § 1 Ger.W. binnen dewelke de griffier het dossier van de rechtspleging moet toezenden aan de griffier van de appelin- stantie bij wie een rechtsmiddel werd ingesteld, niet is voorgeschreven op straffe van nietigheid, zodat de laattijdige toezending niet de nietigheid van deze proceshandeling met zich meebrengt.

    7. D. Mougenot, Principes de droit judiciaire privé, Brussel, Larcier, 2009, 128, nr. 74; M. Castermans, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story, 2009, 471, nr. 716.

    8. B. Deconinck en R. De Corte, “Nietigheden na de wet van 3 augustus 1992. Toilettage of revolutie” in ICGR (ed.), Het vernieuwd gerechtelijk recht. Eerste commentaar bij de wet van 3 augustus 1992 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, Antwerpen, Kluwer, 1992, (137) 146-147, nr. 31; R. Soetaert, “Nietigheid wegens vormverzuim en verval door tijdsverloop ter zake van proceshandelingen” in G. Dievoet (ed.), Actuele problemen van gerechtelijk privaat- recht, Leuven, Acco, 1976, (41) 45, nr. 7.

    9. G. Closset-Marchal, “Examen de jurisprudence (2002-2012) – Droit judiciaire privé – Introduction et incidents de l’instance”, RCJB 2014, (57) 81, nr. 19; D. Mougenot, Principes de droit judiciaire privé, Brussel, Larcier, 2009, 128, nr. 74. De cassatierechtspraak is niet eenduidig wat de aard betreft van andere “voorbereidende handelingen”. Het schriftelijk bezwaar dat de belastingplichtige voorafgaand aan het aanhangig maken van de zaak bij de rechtbank van eerste aanleg indient bij de bevoegde gewestelijke directie, is volgens het Hof van Cassatie een “akte van rechts- pleging’ (Cass. 6 oktober 2000, Arr.Cass. 2000, 1525, arrest gewezen onder vigeur van oud art. 267 WIB 1964 (huidig art. 366 WIB 1992)). De aangetekende brief die de werkgever voorafgaand aan het aanhangig maken van de zaak bij de arbeidsrechtbank moet versturen aan de beschermde werknemer die hij om dringende reden wil ontslaan (zie art. 4, § 1 wet 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor personeelsafgevaardigden (BS 29 maart 1991)), is daarentegen geen proceshandeling in de zin van art. 860 et seq. Ger.W. (Cass. 28 januari 2013, JTT 2013, 170).

    10. Bv. een akte van loonsoverdracht (Cass. 17 november 2008, Arr.Cass. 2009, 2638), een bevoegdheidsovereenkomst (J. Laenens, De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch recht, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen, 1981, 79, nr.

View more >