bouwkunde samenvatting

Download Bouwkunde Samenvatting

Post on 12-Jun-2015

8.843 views

Category:

Documents

14 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

Bouwkunde

AlgemeenHoofdstuk 1: Algemene orintatie I Hofjeswoningen: 1e sociale woningbouw, bestaat uit een rechthoekige tuin waaromheen kleine eengezinswoningen zijn gebouwd met een centraal gebouw als hoofdmonument. Woningbouwverenigingen: zijn ontstaan om arbeiders een redelijke woning voor een betaalbare huur te kunnen bieden. De huuropbrengsten moesten kostendekkend zijn. Woonvormen: Eengezinswoningen Meergezinswoningen Laagbouw; 2 tot 3 woonlagen Etagebouw; 3 tot 4 woonlagen

Hoogbouw; 4 of meer woonlagen - Galerijwoningen; alle verrekken van een woning op dezelfde verdieping. - Maisonnettes; woon en slaapverdieping op verschillende etages. - Corridorwoningen; hoogbouwwoningen die aan een gang zijn gelegen, zoals in Friends. - Portiekwoningen; heel veel in Den Haag, portiek met trap waaraan meerdere woningen zijn gelegen. - Torenflats; woningen gegroepeerd rond een centraal trappenhuis.

Woningtypen: Duplexwoning; kan door 2 gezinnen bewoond worden, ontstaan na de oorlog. Suitetype; met een voor en achterkamer. Doorzontype; vergelijkbaar met suitetype maar zonder onderverdeling in voor en achterkamer. Z-type; met een Z vormige woonkamer Drive in type; eengezinswoning in drie lagen, wonen op de 1e verdieping. Lift: 1930, een woongebouw met een verblijfsgebied waarvan de vloer hoger ligt dan 12,5 meter boven het aansluitende terrein moet ter plaatse van de ingang zijn vv een lift. Woningbouw na 1945: Door grondschaarste en woningbehoefte meer woningen per oppervlakte eenheid.. Toename van hoogbouw. Bouwmethoden veranderden onder druk van de omstandigheden. 4 andere methodes: Stapelbouw; stapelen, metselen en schakelen van bouwonderdelen. Montagebouw; monteren van in de fabriek gefabriceerde onderdelen. Gietbouw; ter plaatse storten van beton in standaardbekistingen. Houtskeletbouw; constructie gemaakt van hout met standaardafmetingen.

Lintbebouwing: Diverse typen woningen naast elkaar, 2/1 kap, vrijstaand, geschakeld, naast wegen of kanalen. Gesloten bebouwing: Bouwterrein verkaveld in recht en veelhoeken. Deze werden langs alle zijden volgebouwd om zoveel mogelijk woningen te plaatsen. Op de hoeken vaak winkels door gebrek aan tuin. Half open bouwblokken: meer licht doordat de noordzijde hoogbouw en zuidzijde laagbouw. Binnenterrein een grote tuin. Open bebouwing: Noord en zuidzijde laagbouw. Strokenbebouwing: alleen bebouwing aan oost en westzijde.

Woningwet: Tot stand gekomen in 1901. Gemeentebesturen moesten toezicht houden op de minimumeisen voor de nieuw te bouwen woningen en andere bouwwerken. Door het rijk kon financile steun verleend worden voor de bouw van goedkope woningen. In 1956 zijn de bouwvoorschriften genificeerd en in 1992 zijn de geheel herziene bouw en inrichtingtechnische eisen vastgelegd in het Bouwbesluit. Bouwverordening: Wordt door elke gemeente afzonderlijk vastgesteld. In de woningwet staat over welke onderwerpen de verordening voorschriften moet bevatten en waaromtrent regels mogen worden vastgesteld. Deze kunnen dus per gemeente verschillen. Er is een modelverordening opgesteld wat gemeenten als basis nemen. NMBV. Bouwbesluit: Algemene maatregel van bestuur waarvan in de woningwet is aangegeven waarover bepalingen moeten worden vastgelegd. Geldt voor het hele land voor nieuwe en bestaande gebouwen. Er zijn 5 groepen bouw en inrichtingseisen voor nieuwe woningen en bouwwerken: Veiligheid Gezondheid Bruikbaarheid Energiebesparing Milieu Utiliteitsbouw: naast de woningbouw, de utiliteitsbouw. Veelal gebruik gemaakt van skeletbouw. Bouwen in metselwerk is niet economisch door het gewicht, het is arbeidsintensief en duur. Beter zijn staal en beton, groot weerstandvermogen, goed toepasbaar voor draagconstructies. Voor constructiedelen met verschillende doeleinden worden verschillende materialen gebruikt. Staalskeletbouw: Toegepast bij lichte constructies met een grote stijfheid en wanneer veel glas wordt . Eenvoudig uit te breiden en te veranderen. Bezwijkt snel bij brand doordat staal bij verhitting zijn sterkte verliest daardoor bekleed met brandwerend materiaal. Betonskeletbouw: Onderdelen of in het werk gestort of geprefabriceerd. Beton bezwijkt niet snel bij brand maar heeft wel een groot eigen gewicht en kan niet eenvoudig worden uitgebreid of gewijzigd.

Bouwstijlen: Romaans (950-1250) Gotiek (1230-1560) Renaissance (1530-1690) Barok (1680-1850) Neoclassicisme (1800-1870) Eclecticisme (1850-1900) waaronder de volgende neostijlen; Neoromaans, Neogothiek, Neorenaissance, Neobarok, Chaletstijl, Art Nouveau, Jugendstill, nieuwe kunst. Amsterdamse School (1910-1930) Delftse school (1925-1956) Functionalisme, de nieuwe zakelijkheid, het nieuwe bouwen (1920-1960)

Hoofdstuk 2: Algemene orintatie II Ruimtelijke ordening door de overheid: Rijksniveau Provinciaal niveau, streekplannen Gemeentelijk niveau, structuur en streekplannen Streekplan geeft aan welke ontwikkeling voor de desbetreffende streek gewenst is. Welke gemeenten kunnen uitbreiden, waar kunnen recreatieve ontwikkelingen plaatsvinden etc. Structuurplan: gewenste toekomstige ontwikkelingen binnen de gemeentegrenzen. Bestemmingsplan: bestemming van de grond, enige plan dat rechtstreeks binend voor de burger is. Onroerende goederen: alle vaste zaken zoals landerijen, erven, stenen gebouwen etc. Personen en instellingen betrokken bij het bouwproces Opdrachtgever: overheid, semi-overheid of een particuliere projectontwikkelaar. Ondeskundig op het gebied van bouwen, laat zich adviseren door deskundigen. Taken: Opstellen van programma van eisen Beslissingen nemen over plannen en constructies Financiering van het werk Architect: Taken: Maken van een ontwerp en overige tekeningen Maken van het bestek Opstellen definitieve kostenbegroting Aanbesteding houden Toezicht houden op de uitvoering Architect neemt meestal een opzichter in dienst om de uitvoering in de gaten te houden, de administratie te doen en te overleggen met personen en instanties. Adviseur: specialisten op het gebied van draagconstructies, funderingen en technische installaties bijvoorbeeld. Aannemer: Laat zich op de bouwplaats vertegenwoordigen door de uitvoerder, deze is in dienst van de aannemer. Bepaalde onderdelen zoals bijv het heien van palen zal de aannemer uitbesteden aan een onderaannemer. Echter de hoofdaannemer blijft verantwoordelijk voor het gehele werk. Voorbereiding van een bouwplan 1. programma van eisen; type bouwwerk, opgave van de ruimten, kwaliteit van afwerking, technische installaties en maximale bouw of stichtingskosten. 2. voorlopig ontwerp; architect werkt het uit en toetst het aan de hand van het programma van eisen. Toetst de financile haalbaarheid. 3. definitief ontwerp; worden beslissingen genomen over plattegronden, tegels, wanddikte etc. Overleg met de welstandscommissie, brandweer en nutsbedrijven. 4. bestektekening; definitief ontwerp verder uitgewerkt in de juiste maatvoering. 5. bestek; beschrijving van het te maken werk en de voorwaarden waaronder dit moet gebeuren. Bestek en bestektekeningen geven een zodanig beeld dat een betrouwbare begroting gemaakt kan worden en tot aanbesteding overgegaan kan worden. Het bestek is als regel maatgevend. Voorwaarden voor het bestek staan omschreven in het boekje UAV. Tot het bestek horen: - beschrijving van het werk - de daarbij horende tekeningen - voor het werk geldende voorwaarden

nota van inlichtingen; antwoord op vragen van aannemers die samenwerken gedurende de bouw. - Proces verbaal van aanwijzing; verslag van een bijeenkomst waar aannemers vragen kunnen stellen aan de directie. 6. bouwvergunning; als de bestektekeningen gereed zijn kan goedkeuring worden aangevraagd en de bouwvergunning worden verkregen. Projectietekening: 3 dimensionaal overbrengen van het project op een tekening. Een tekening waarbij het lijkt alsof men recht voor de betreffende zijde van het gebouw staat heet een rechte projectie. Horizontale doorsneden, op 1,5 m boven een vloer, heten plattegronden. Doorsneden worden gearceerd, aanzichten nooit. Zichtbare onderdelen van een doorsnede worden met een lijn aangegeven, onzichtbare delen worden gearceerd. Soorten tekeningen: 1. Schetsontwerp; globaal ontwerp 2. Definitief ontwerp; 3. Bestektekeningen; 4. Werktekeningen; grotere schaal waardoor de architect zuiver op maat diverse details. sprongen in de muren, afmetingen van raam en deurkozijnen etc. kan aangeven. Volgen het bestek heel nauw, dit is bindend. 5. Detailtekeningen; verschillende constructies tot in detail weergegeven. 6. Installatietekeningen; niet van belang voor bouwaannemer maar voor de verschillende installatiebedrijven. 7. Sparingstekeningen; aangegeven hoe de leidingen komen te lopen zodat de aannemer weet waar hij sparingen moet laten. Worden afgeleid uit de installatietekeningen. 8. Revisietekeningen; hierop wordt de uiteindelijke toestand weergegeven, de wijzigingen van onderdelen, leidingen etc. Pagina 2.16 tot 2.19 belangrijk. Geeft een overzicht van hoe materialen worden aangegeven op tekeningen.

Hoofdstuk 3: Algemene orintatie III Maaiveld: dit ligt 100-200 mm beneden peil. De vloer moet boven het maaiveld liggen voor de ventilatie van de kruipruimte. De verdiepingsvloer ligt 2700 mm boven peil. STABU: Standaard Referentie Bestek voor de Burger en Utiliteitsbouw. Op basis hiervan worden de bestekken gemaakt. Wat moet er gedaan worden, welke bouwstof moet worden gebruikt etc. UAV: Uniforme Administratieve Voorwaarden. Hierin staan o.a. de volgende bepalingen: Aanvang; 5e dag nadat de aannemer de opdracht heeft gekregen. Termijnen; waarbinnen het werk moet worden opgeleverd in dagen, maanden etc. Onwerkbare dagen; bijv. bij vorst Boete Oplevering; tot aan de oplevering is de aannemer verantwoordelijk, hierna de eigenaar. In de onderhoudstermijn moet de aannemer bepaalde gebreken herstellen. Na oplevering vervalt 95% van de bouwsom. 5% blijft staan tot 3 maanden na de eerste oplevering. Daar