antwoorden opmaat

of 43/43
De opmaat © 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 1 De opmaat Antwoorden Thema 1 Kennismaken en afspreken Oefening 2 1. C Ze gaat naar vrienden. 2. B Ze studeert in Nijmegen. Oefening 3 infinitief doen studeren heten zitten spreken singularis ik doe studeer heet zit spreek jij / je / u doet studeert heet zit spreekt …je? doe je studeer jij heet je zit jij spreek je hij / zij / ze doet studeert heet zit spreekt pluralis wij / we doen studeren heten zitten spreken jullie doen studeren heten zitten spreken zij / ze doen studeren heten zitten spreken Oefening 4 1 Willem werkt in een ziekenhuis in Amsterdam. 2 Willem en Mila wonen in Amsterdam. 3 Mila spreekt al goed Nederlands. 4 Ik ga met de trein naar Utrecht. 5 Kom jij uit Nederland? Nee, ik kom uit Peru. 6 Mila, hoe lang ken je Willem nu? 7 U spreekt al goed Nederlands. 8 Anne studeert psychologie in Nijmegen. 9 Hoe heet jij? Ik heet Mila. 10 Wij gaan op vakantie naar Spanje. Oefening 5 1. Mijn vriend werkt in een ziekenhuis. 2. We studeren psychologie in Groningen. 3. Ik ga met de trein naar mijn werk. 4. Wat doen jullie? Wij studeren. 5. Waar kom je vandaan? Uit Portugal. 6. U spreekt goed Spaans. 7. Ik woon in een studentenhuis in Rotterdam. 8. Heb jij een vriendin? 9. David kent zijn vriendin twee jaar. 10. Hoe lang zijn jullie in Nederland?

Post on 19-Jan-2016

485 views

Category:

Documents

32 download

Embed Size (px)

DESCRIPTION

De opmaatAntwoorden

TRANSCRIPT

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 1

    De opmaat Antwoorden Thema 1 Kennismaken en afspreken Oefening 2

    1. C Ze gaat naar vrienden. 2. B Ze studeert in Nijmegen.

    Oefening 3 infinitief doen studeren heten zitten spreken singularis ik doe studeer heet zit spreek jij / je / u doet studeert heet zit spreekt je? doe je studeer jij heet je zit jij spreek je hij / zij / ze doet studeert heet zit spreekt pluralis wij / we doen studeren heten zitten spreken jullie doen studeren heten zitten spreken zij / ze doen studeren heten zitten spreken Oefening 4 1 Willem werkt in een ziekenhuis in Amsterdam. 2 Willem en Mila wonen in Amsterdam. 3 Mila spreekt al goed Nederlands. 4 Ik ga met de trein naar Utrecht. 5 Kom jij uit Nederland? Nee, ik kom uit Peru. 6 Mila, hoe lang ken je Willem nu? 7 U spreekt al goed Nederlands. 8 Anne studeert psychologie in Nijmegen. 9 Hoe heet jij? Ik heet Mila. 10 Wij gaan op vakantie naar Spanje. Oefening 5

    1. Mijn vriend werkt in een ziekenhuis. 2. We studeren psychologie in Groningen. 3. Ik ga met de trein naar mijn werk. 4. Wat doen jullie? Wij studeren. 5. Waar kom je vandaan? Uit Portugal. 6. U spreekt goed Spaans. 7. Ik woon in een studentenhuis in Rotterdam. 8. Heb jij een vriendin? 9. David kent zijn vriendin twee jaar. 10. Hoe lang zijn jullie in Nederland?

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 2

    Oefening 6 Eva Pieter Willem Alexander Achternaam Dirkx Janssen X Geboortedatum 22 september1987 14 augustus 1956 27 april 1967 Adres Blaak 43 Nobelstraat 62 bis zegt hij niet Postcode 3015 BL 3518 ZK zegt hij niet Woonplaats Rotterdam Utrecht Wassenaar Telefoonnummer(s) 06-26758122 030-2578863 zegt hij niet 06-38770592 Beroep/studie student Frans taxichauffeur lid koninklijk huis Oefening 8 Voorbeeld 1. Het is vandaag dinsdag. 2. Het is overmorgen donderdag. 3. Het was gisteren maandag. 4. Het was vier dagen geleden vrijdag.

    5. Een week heeft 7 dagen. 6. December heeft 31 dagen. 7. Februari heeft 28 of 29 dagen. 8. Een jaar heeft 12 maanden. 9. Een jaar heeft 52 weken. 10. Het boek heeft 10 themas. 11. Het cursusboek heeft 268 bladzijden.

    Voorbeeld 12. Ik heb twee lessen per week. 13. Ik heb les op maandag en woensdag. 14. De cursus is op 2 september gestart. 15. De cursus is op 10 januari afgelopen. 16. De cursus duurt vijf maanden. 17. Ik ben vier maanden in Nederland. 18. Ik blijf drie jaar in Nederland. Oefening 11 Voorbeeld

    1. Ik ben 21 jaar. De museumjaarkaart kost voor mij 17,50 + 4,95 administratiekosten.

    2. Ik bestel de museumjaarkaart online.

    Oefening 13 1 De open dag is op zaterdag 30 augustus van 10.30 tot 16.00 uur. 2 Het adres is Oudegracht 11, 3511 LV in Utrecht. 3 De administratie is op woensdag open tot 16.00 uur. Tijdens het cursusseizoen is de administratie op woensdag ook open van 19.00 tot 21.00 uur. 4 Ja, tijdens het cursusseizoen is de administratie op zaterdag open van 10.00 tot 13.00 uur. 5 Het e-mailadres is [email protected] Oefening 14 1 a zaterdag 2 b naar een expositie 3 b om 11.00 uur

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 3

    Oefening 16 boeken lenen de blibliotheek dansen de discotheek een taal leren een taalinstituut iets drinken het (eet)caf iets eten het restaurant geld opnemen de bank film kijken de bioscoop fruit kopen de markt naar een concert gaan het muziekcentrum naar een expositie gaan het museum naar dieren kijken de dierentuin postzegels kopen het postkantoor sporten de sporthal studeren de universiteit tennissen de tennisbaan wandelen het park winkelen het winkelcentrum in de zon liggen het strand zwemmen het zwembad Oefening 21

    1. Hoe oud ben je? > Je vraagt niet naar een naam. 2. de taal > Dit woord heeft geen relatie met wonen. 3. soms > Dit woord is geen vraagwoord. 4. vandaag > Dit woord is geen dag van de week. 5. zaterdag > Dit woord is naam van een dag van de week. 6. jullie > Dit woord is geen maand van het jaar maar een persoonlijk

    voornaamwoord. 7. dag > Dit woord is geen deel van de dag. 8. Spaans > Dit woord is geen land. 9. de bank > Naar de bank ga je niet in je vrije tijd. 10. de kapstok > Dit woord neem je niet mee naar de les. 11. Frankrijk > Dit woord is geen taal of nationaliteit.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 4

    Thema 2 Feesten Oefening 2

    1. C Simone 2. B zaterdagavond

    Oefening 3

    1. B een boek 2. B een kopje koffie en taart 3. B Op Simone 4. C Haar zus woont bij haar vader. 5. B 7 jaar 6. A bij haar ouders 7. B Hij danst alleen op hardrock.

    Oefening 4 1. Hij heeft twee neven. Zijn neven wonen in Groningen. 2. U bent getrouwd. Waar wonen uw schoonouders? 3. Ik heb een zus. Ze woont in India. Haar man werkt daar. 4. Mijn broer en ik zijn getrouwd. Onze vrouwen zijn vriendinnen van elkaar. 5. Ik heb een oma. Mijn oma is 90 jaar. 6. Jullie komen uit een grote familie. Jullie opa en oma hebben 22 kleinkinderen. 7. Heb jij een zus? Woont jouw / je zus in Amsterdam? 8. Mijn neef en nicht wonen bij hun ouders. 9. Wij willen verhuizen, want ons huis is te klein. 10. Willem heeft een vriendin uit Peru. Zijn vriendin heet Mila. 11. De vriendin van Willem komt uit Peru. Haar naam is Mila. 12. Ik begrijp een beetje Nederlands, maar mijn uitspraak is slecht. 13. De test begint. Jullie moeten jullie / je mobiele telefoon uitdoen. 14. Ik heb een leuke baan. En hoe is jouw baan, Karel? 15. Wij gaan trouwen. Ons trouwfeest is op 20 mei en onze gasten zijn welkom vanaf

    15.00 uur. Oefening 5 1. Wij hebben geen kinderen. 2. Ik begrijp de oefening niet. 3. Mila werkt niet in Amsterdam. 4. Het eten is niet lekker. 5. Ik ben ziek. Ik kan niet werken. 6. Hij drinkt geen koffie; hij houdt niet van koffie. 7. Wij gaan niet naar het feest. We hebben geen tijd. 8. Ik spreek niet goed Nederlands. 9. We gaan niet met de trein naar Groningen. We nemen de auto. 10. Ze heeft geen zus. Ze heeft twee broers. Oefening 6 1. Nee, wij hebben geen woordenboek. 2. Nee, hij studeert niet in Rotterdam. 3. Nee, ik ga morgen niet werken. 4. Nee, ze spreken geen Frans. 5. Nee, ik studeer niet. 6. Nee, wij gaan niet naar het feest. 7. Nee, ik drink geen wijn. 8. Nee, zij koopt de fiets niet. 9. Nee, ik vind fietsen niet leuk. 10. Nee, ik mis mijn familie niet.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 5

    Oefening 7 Voorbeeld 1. Houd je van muziek?

    Ja, ik houd van muziek. / Nee, ik houd niet van muziek. 2. Heb je kinderen?

    Ja, ik heb kinderen. / Nee, ik heb geen kinderen. 3. Vind je dansen leuk?

    Ja, ik vind dansen leuk. / Nee, ik vind dansen niet leuk. 4. Werk je in een supermarkt?

    Ja, ik werk in een supermarkt. / Nee, ik werk niet in een supermarkt. 5. Kun je Nederlands spreken?

    Ja, ik kan Nederlands spreken. / Nee, ik kan geen Nederlands spreken. 6. Studeer je economie?

    Ja, ik studeer economie. / Nee, ik studeer geen economie. 7. Zie je de auto?

    Ja, ik zie de auto. / Nee, ik zie de auto niet. 8. Vind je thee lekker?

    Ja, ik vind thee lekker. / Nee, ik vind thee niet lekker. 9. Eet je taart?

    Ja, ik eet taart. / Nee, ik eet geen taart. 10. Drink je koffie?

    Ja, ik drink koffie. / Nee, ik drink geen koffie. Oefening 9 1. Ik heb drie pennen in mijn tas. 2. Hoeveel tantes heb jij? 3. Pieter heeft drie woordenboeken. 4. In onze straat staan veel autos. 5. Op tafel staan twee taarten: een appeltaart en een chocoladetaart. 6. Hij drinkt vijf koppen koffie per dag. 7. Mijn opas zijn overleden. 8. Simone krijgt veel cadeautjes. 9. Haar oom heeft vier dochters. 10. Onze tassen staan onder de tafel. Oefening 10 1. De studenten praten met hun docenten. 2. Onze omas leven nog maar onze opas zijn overleden. 3.De obers leggen messen, vorken en lepels op de tafels. 4. Wij hebben geen broers, maar wel zussen. 5. De dochters lijken veel op hun moeders. 6. De treinen zijn altijd te laat: dat vinden wij vervelend. 7. Jullie mogen jullie woordenboeken gebruiken bij de examens. 8. Aan de grachten liggen cafs en restaurants. Oefening 11

    1. Marian zus Joep neefje Iris nichtje Vincent zwager Michiel broer Annie moeder Jeroen vader

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 6

    2.

    leeftijd woonplaats beroep / studie dagen per

    week Marian 32 jaar Nijmegen docente Frans 3 dagen Joep 3 jaar Nijmegen X X Iris 1 jaar Nijmegen X X Vincent X Nijmegen bankier 4 dagen Michiel 25 jaar Eindhoven student

    natuurkunde X

    Annie 57 jaar Eindhoven verpleegkundige 3 dagen Jeroen 59 jaar Eindhoven accountant 5 dagen

    (fulltime) Oefening 12 [Stamboom nog invoegen] Oefening 14

    1. Zaterdag heb ik een feestje. 2. In Den Haag woont mijn broer met zijn gezin. 3. Jullie gaan dinsdag naar een museum. 4. In 2004 is haar oma overleden. 5. Spreekt hij met zijn moeder Spaans? 6. In Amsterdam studeert mijn broer biologie. 7. Haar vader werkt in een ziekenhuis. 8. Zitten de studenten in de kantine? 9. Maandag komt mijn zus uit China. 10. Woensdag ben ik jarig.

    Oefening 15 Voorbeelden Morgen moet ik naar het ziekenhuis. Donderdag eten we met vrienden. s Ochtends zitten we in lokaal 0.15. Na de les gaan we naar huis. Vandaag is mijn oma jarig. In de pauze eten de studenten een broodje kaas. Op het feestje danst haar broer. In het caf drinkt mijn vriend een glas wijn. Oefening 16

    1. Willen jullie een kopje koffie? 2. De kinderen moeten om half negen op school zijn. 3. Ik moet naar de tandarts. 4. Mag ik even naar de wc? 5. Ik kan goed zwemmen, want ik heb drie zwemdiplomas. 6. Zullen we naar de film gaan? 7. Hij wil een nieuwe fiets. 8. Je mag niet roken in een caf. 9. Mag de deur dicht, alsjeblieft? 10. Je mag geen alcohol drinken als je nog geen 16 jaar bent.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 7

    Oefening 17 1. Ik moet nu naar het station. Dan kan ik de trein van twee uur nemen. 2. Zullen we een kopje koffie drinken? 3. Mag ik jouw woordenboek? 4. In het talenpracticum mag je niet eten en drinken. 5. Wat wil je voor je verjaardag? 6. Ze kunnen goed Nederlands spreken. Ze zijn al lang in Nederland. 7. Pardon, Mag / Kan ik u iets vragen? 8. Zijn jullie klaar? Kunnen / Zullen we beginnen? 9. We moeten elke dag huiswerk maken. 10. Wil / Kan je me met mijn huiswerk helpen?

    Oefening 18

    1. Ik wil naar het zwembad gaan. 2. Jullie mogen niet roken in een caf of restaurant. 3. Kunt u goed Nederlands spreken? 4. Hij moet de rekening op tijd betalen. 5. Mag / Kan ik u iets vragen? 6. Bij het kruispunt moet je rechtsaf gaan. 7. Wij willen een nieuwe auto kopen. 8. Zullen we in de kantine koffie gaan drinken?

    Oefening 19 Voorbeeld

    1. Vandaag moet ik boodschappen doen. 2. Volgende week moet ik de auto wassen. 3. Komend weekend wil ik naar Den Haag gaan. 4. Ik wil naar Itali gaan. 5. In mijn land mag je geen alcohol drinken. 6. In Nederland mag je buiten roken. 7. Ja, ik kan al een beetje Nederlands spreken. 8. Ja, u kunt in mijn land makkelijk met de trein en de bus reizen.

    Oefening 24

    1. Met Kerstmis vieren we de geboorte van Jezus. 2. Op Koninginnedag gaan veel mensen naar de vrijmarkt. 3. Bij de geboorte van baby eten we beschuit met muisjes. 4. Iedereen is twee minuten stil op dodenherdenking. 5. Met Pasen gaan kinderen eieren verven en zoeken. 6. Op dierendag krijgen honden en katten extra lekker eten. 7. Kinderen zetten hun schoen als Sinterklaas in Nederland is. 8. Mensen vieren feest en hebben gekke kleding aan als het Carnaval is. 9. Op je verjaardag mag je kaarsjes uitblazen. 10. Met Oudjaar eten Nederlanders oliebollen en steken ze vuurwerk af.

    Oefening 25 Voorbeeld 1. Gefeliciteerd! / Proficiat! / Van harte! 2. Succes! / Zet hem op! 3. Beterschap! 4. Veel plezier! / Wat gezellig! 5. Gefeliciteerd! 6. Proficiat! / Gefeliciteerd! 7. Gecondoleerd. 8. Gefeliciteerd! 9. Succes! / Zet hem op! 10. Wat leuk!

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 8

    Oefening 28

    1. Ze gaan 10 juni aanstaande om 14.30 uur trouwen. 2. U kunt het bruidspaar vanaf 16.30 uur in de feestzaal Het Koetshuis

    feliciteren. 3. Hij is ceremoniemeester. Iedereen kan hem voor en tijdens het feest

    vragen stellen over het feest. Hij weet bijvoorbeeld welke cadeaus het paar graag wil, wat het programma die dag is.

    Oefening 29 B Echtpaar vergeet kind bij wegrestaurant.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 9

    Thema 3 boodschappen doen en winkelen Oefening 2

    1. B een half lichtbruin, zes broodjes, zes krentenbollen 2. 4,20 3. C een half pond gehakt, twee hamburgers, ham en salami 4. A 7,20 5. X 1 krop sla

    X 1 komkommer X 1 pond tomaten X 4 sinaasappels X 1 kilo appels

    6. 6.10 Oefening 4 Praxis= bouwmarkt van Haren= schoenenzaak Aldi = supermarkt Kruidvat = drogisterij IKEA = meubelzaak Dirk vd Broek= supermarkt BCC= consumentenelektronica Gamma= bouwmarkt AKO= boekwinkel Bruna= boekwinkel Gall&Gall = slijterij Karwei= bouwmarkt Mediamarkt = consumentenelektronica Selexyz = boekwinkel H&M = kledingwinkel C1000= supermarkt Kwantum=meubelzaak Dolcis = schoenenzaak Trendhopper= meubelzaak V&D = warenhuis Etos= drogisterij C&A= kledingwinkel Dixons = consumentenelektronica Lundia=meubelzaak Albert Heijn = supermarkt HEMA = warenhuis Bijenkorf = warenhuis Oefening 5

    1. Het huis is klein. Het kleine huis. Een klein huis. 2. De auto is zwart. De zwarte auto. Een zwarte auto. 3. De taal is moeilijk. De moeilijke taal. Een moeilijke taal. 4. De thee is warm. De warme thee. Warme thee. 5. Het boek is interessant. Het interessante boek. Een interessant boek. 6. De boeken zijn interessant. De interessante boeken. Interessante boeken. 7. De suiker is bruin. De bruine suiker. Bruine suiker. 8. Het pilsje is koel. Het koele pilsje. Een koel pilsje. 9. De flat is groot. De grote flat. Een grote flat. 10. Het raam is groot. Het grote raam. Een groot raam. 11. Het bord is grijs. Het grijze bord. Een grijs bord. 12. Het papier is wit. Het witte papier. Wit papier. 13. De schoenen zijn duur. De dure schoenen. Dure schoenen. 14. Het jasje is goedkoop. Het goedkope jasje. Een goedkoop jasje. 15. Het weer is mooi. Het mooie weer. Mooi weer.

    Oefening 6

    1. Ik eet dit brood niet. Het is oud. 2. Zij koopt een witte jurk. 3. Ik kom uit een groot gezin. 4. Ik heb een grote familie. 5. Hij leest een interessant boek. 6. Mijn buurman is een oude man van 83 jaar. 7. De leraar corrigeert de test met een rode pen. 8. De bananen zijn niet rijp, ze zijn groen. 9. Ik wou graag een verse appeltaart. 10. Verkoopt u goedkope tweedehands fietsen? 11. Ze houdt niet van bruin brood. 12. En kilo zoete mandarijnen, alstublieft.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 10

    Oefening 7 1. Een jaar heeft er twaalf. (er = maanden) 2. Een dag heeft er 24. (er = uren) 3. Een uur heeft er 60. (er = minuten) 4. December heeft er 31. (er = dagen) 5. Voorbeeld: Ik heb er n. (er = fietsen) 6. Voorbeeld: Ik drink er drie. (er = kopjes koffie) 7. Voorbeeld: Ik eet er vier. (er = boterhammen) 8. Voorbeeld: Ik heb er twaalf. (er = ooms en tantes) 9. Voorbeeld: Ik heb er geen. (er = kinderen) 10. Voorbeeld: Ik heb er twee. (er = computers) 11. Voorbeeld: Ik zie er tien. (er = tafels) 12. Voorbeeld: Ik lees er twaalf. (er = boeken) 13. Dit boek heeft er tien. (er = themas) 14. Voorbeeld: Ik ken er 500. (er = Nederlandse woorden) 15. Voorbeeld: Ik spreek er drie. (er = talen)

    Oefening 8 de fles: wijn, jenever, cola het flesje: water, cola, parfum de doos: eieren, tisssues het doosje: lucifers, eieren, paperclips het pak: melk, yoghurt, vla het pakje: appelsap, chocolademelk, zakdoekjes de zak: aardappelen, nootjes, chips het zakje: snoep, drop, sla de pot: worteltjes, appelmoes, rode kool het potje: mas, bruine bonen, babyvoeding het blik: erwtjes, witte bonen, ananas het blikje: cola, tomatenpuree, sinas de rol: beschuit, wc-papier het rolletje: drop, snoep de reep: chocola, ontbijtkoek Oefening 10 1. D. Een zwarte rok, maat 40 en een grijs vest.

    2. C. 79,90, met pinpas 3. A. Ze zijn te groot. 4. B. Ze zijn te duur. 5. B. ongeveer 100,00 Oefening 11

    1. Ik feliciteer hem met zijn zesde verjaardag. 2. Ze mist hen. 3. Vanmiddag ga ik met haar schoenen kopen. 4. Ik ga met hem naar het feest. 5. Kunt u ons helpen? 6. Mila praat met haar. 7. Dit jaar vier ik Sinterklaas ze. 8. Hij kent haar nu zes maanden. 9. Pardon meneer, mogen we u iets vragen? 10. In de pauze drinkt ze koffie met ze. 11. Ik bezoek hem vaak. 12. Pardon mevrouw, mag ik u iets vragen?

    Oefening 12

    1. Waar staat de auto? Hij staat in de garage. 2. Waar staat de auto? Ik parkeer hem altijd in de garage. 3. Waar staan de fietsen? Ze staan in de garage. 4. Waar staan de fietsen? We zetten ze nooit in de garage. 5. Waar staat het kinderfietsje. Het staat in de garage. 6. Waar staat het kinderfietsje? Ik zet het altijd in de garage. 7. De schoenen zijn mooi, maar te duur. Ik koop ze niet.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 11

    8. De krant is interessant. Ik lees hem elke dag. 9. Het journaal is interessant. Ik zie het elke dag op tv. 10. Ik heb een nieuwe winterjas. Hij is warm en ik vind hem mooi. 11. Ik bestel een biertje. Het is koel en ik vind het lekker. 12. Ik zoek mijn sleutels. Waar zijn ze? Ik heb ze nodig.

    Oefening 13

    Samen boodschappen doen. Ja, gezellig!

    Peter en zijn vrouw Marjan gaan samen boodschappen doen. Ze gaan naar de supermarkt op de hoek. Hij is groot en ze hebben veel keuze. De producten daar zijn niet duur maar ze zijn wel van goede kwaliteit. Marjan loopt met een boodschappenkarretje naar de groente- en fruitafdeling. Ze zet het aan de kant. Ze pakt eerst een tros bananen. Ze legt ze op de weegschaal. Ze wegen ongeveer een kilo. Dan pakt ze nog een zak aardappels, een halve kilo uien en een bloemkool. Ze doet hem in een plastic zak en wil alles in het boodschappenkarretje doen. Maar waar is haar karretje? Ze kan het nergens vinden. Dat is vervelend! Dat is niet goed voor haar humeur! Peter loopt op dat moment met het karretje aan de andere kant van de supermarkt. Hij is op de drankafdeling. Hij pakt een krat bier en zet het op het karretje. Dan gaat hij naar het wijnrek en zoekt rode wijn. Zijn favoriete rode wijn staat boven in het wijnrek. Peter is klein, de wijn staat te hoog voor hem. Dus hij vraagt hulp aan een medewerker van de supermarkt. De medewerker is lang, dus hij kan gemakkelijk bij de wijn. Hij pakt een fles wijn uit het rek en geeft hem aan Peter. Peter bedankt hem en gaat op zoek naar Marjan. Dan hoort hij haar stem. Ze is boos en roept: Idioot! Waar was je nou? Ik loop al tien minuten met mijn handen vol! Kom hier met dat karretje! Peter zegt tegen haar: Mens, doe niet zo moeilijk! Hij pakt de aardappels, de bloemkool en de uien uit haar handen en gooit ze in het karretje. Ze lopen naar de kassa en betalen hun boodschappen. Het meisje bij de kassa vraagt: Wilt u zegels? en Marjan zegt tegen haar: Rot op met je zegels! en loopt boos naar buiten. Sorry, zegt Peter tegen haar. Ze ziet hem naar buiten lopen en denkt: Gezellig, zo samen boodschappen doen! Oefening 14

    1. In een bakkerij kunt u brood en broodjes kopen. In een banketbakkerij kunt u taart en koekjes kopen

    2. De slager verkoopt vooral varkens- en rundvlees. De poelier verkoopt kip, lamvlees en wild.

    3. In een drogisterij kunt u zeep, shampoo, tandpasta enz. kopen en medicijnen zonder recept. Bij een apotheek haalt u medicijnen op doktersrecept.

    4. Een supermarkt verkoopt voedingsmiddelen: groente, fruit, vlees, rijst, suiker enz.. Een warenhuis verkoopt veel verschillende dingen: kleding, boeken, handdoeken enz.

    5. Vlees eet u bij het avondeten. Vleeswaren eet u op uw boterham 6. In een restaurant kunt u alleen maar eten. In een eetcaf kunt u alleen iets

    drinken maar u kunt er ook een simpele maaltijd krijgen. 7. Als u gaat winkelen, loopt u in de stad en wilt u kleding, schoenen, een boek of

    een cadeautje kopen. Als u boodschappen doet, gaat u naar de supermarkt. 8. Een overhemd is alleen voor mannen. Mannen dragen overhemden in formelere

    situaties. Mannen en vrouwen kunnen een blouse dragen. Voor mannen is een blouse informeler (meer casual) dan een overhemd.

    9. Een rok bedekt alleen (een deel van) de benen. U moet een rok combineren met een blouse, shirt of trui. Een jurk bedekt het hele lichaam.

    10. Slippers zitten alleen vast bij uw tenen. Slippers draagt u in informele situaties, bijvoorbeeld in het zwembad. Een sandaal zit vast aan de hele voet.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 12

    Oefening 15 Oefening 16 Voorbeeld Ik draag nu een blauwe broek, een groene bloes, groene sokken en bruine laarzen. Ik draag graag een rok. Mijn favoriete kleding is een spijkerbroek met een T-shirt. Mijn favoriete kleur is rood. Ik houd van vesten. In de winter draag ik een warme jas, een muts, een sjaal en handschoenen. In de zomer draag ik een korte broek, een T-shirt en slippers. Oefening 18

    1. Mila: cappuccino + chocoladetaart Simone: cappuccino + appeltaart met slagroom

    2. 11,50 3. 12,00

    Oefening 23

    1. De meeste winkels sluiten op zaterdag om 17.00 uur. 2. In de meeste steden is er n keer per maand een koopzondag. 3. Sommige mensen willen meer koopzondagen per maand, want dat is goed voor

    de economie. 4. Ze zijn bang dat dan de zondagsrust verdwijnt en dat de mensen alleen nog maar

    denken aan Kopen, kopen, kopen! 5. Ze zijn open van 8.00 tot 20.00 of 22.00 uur. 6. In het centrum zijn veel winkels elke dag open tot s avonds laat. Er zijn zelfs 24-

    uurswinkels. Daar kan je ook s nachts terecht. Ook op zondag zijn veel winkels in Amsterdam geopend.

    7. In Amsterdam is er altijd iets te doen. Oefening 25

    1. Kan jij vanmiddag boodschappen doen? 2. U moet nu oefening 10 maken. 3. Mag ik u iets vragen? 4. Om acht uur moeten onze kinderen slapen. 5. Zullen we morgen naar de bioscoop gaan? 6. Aan het eind van de cursus moeten jullie een test doen. 7. In het lokaal mogen we niet eten. 8. Ik kan Engels en Frans spreken. 9. Mijn vriend wil zijn moeder een museumjaarkaart geven. 10. Zal ik vanavond voor jullie koken?

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 13

    Thema 4 vervoer Oefening 2

    1. A te voet en met de trein 2. B van spoor 3b 3. C van spoor 8a 4. C om ongeveer 11.30 uur 5. B Beneden, want daar is meestal wel plaats. 6. C Willem kan de kaartjes niet direct vinden.

    Oefening 3

    1. Om acht uur ga ik naar het station want mijn trein vertrekt om kwart over acht. 2. Els koopt een cadeautje omdat haar moeder morgen jarig is. 3. We gaan naar de stad omdat we een cadeautje moeten kopen. 4. Ze kopen ringen want ze gaan volgende maand trouwen. 5. Omdat hij in Groningen studeert, zoekt Peter daar een kamer. 6. Ik ga met fiets naar het instituut want ik woon vlakbij. 7. Peter zoekt een andere baan omdat hij zijn werk nu niet leuk vindt. 8. We condoleren onze collega omdat zijn vader gisteren is overleden. 9. Ik feliciteer mijn broer want hij wordt vandaag 23 jaar. 10. Monique gaat naar een kleding zak omdat ze een nieuwe jas wil kopen.

    Oefening 4

    1. Joris kookt elke dag omdat zijn vrouw niet kan koken. 2. Als de zomer begint, gaan veel mensen op vakantie. 3. We nemen vandaag de bus omdat de auto kapot is. 4. Morgen zijn we vrij omdat het Koninginnedag is. 5. Omdat ik volgende week een examen heb, moet ik nu hard studeren. 6. Ik ga nu niet naar de markt omdat het slecht weer is. 7. Ik ga nooit naar de markt als het slecht weer is. 8. Natasja woont nu in Nederland omdat haar vriend Nederlander is. 9. Omdat ik nu geen geld heb, kan ik geen nieuwe laptop kopen. 10. Als ik geld genoeg geld heb, koop ik een nieuwe laptop. 11. U kunt bij ons een cursus volgen als u Nederlands wilt leren. 12. Omdat ik nu geen baan heb, heb ik veel vrije tijd.

    Oefening 5

    1. Omdat ik psychologie wil gaan studeren. 2. Omdat mijn fiets kapot is. 3. Als ik naar een feest ga. 4. Omdat ik volgende week op vakantie ga. 5. Omdat ik geen auto heb. 6. Als ik mijn huiswerk maak. 7. Als ik examen moet doen. 8. Als ik na mijn werk thuiskom. 9. Als ik jarig ben. 10. Omdat ik huiswerk moet maken. 11. Als ik naar Schiphol ga. 12. Als ik naar Brazili ga. 13. Als ik in een restaurant eet. 14. Omdat ik wijn niet lekker vind. 15. Als ik een woord niet ken. 16. Omdat ik woorden op internet opzoek. 17. Als ik ziek ben. 18. Als ik op reis ga. 19. Omdat ik mijn zus ga ophalen. 20. Als ik vrij ben.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 14

    Oefening 6 Peter taxi (10 minuten) / trein (6 uur) / metro (half uur) Olga te voet (5 minuten) / trein (2 uur) / bus (half uur) / boot (drie kwartier) / fiets (10 minuten) Jaap auto (anderhalf uur) / vliegtuig (n uur) / auto (twee uur) Oefening 7 Voorbeeld

    1. Ik ga met de fiets. 2. Ik kom met de bus. 3. Ik ga te voet. 4. Ik ga met de bus. 5. Ik ga met de auto. 6. Ik ga met de fiets. 7. Ik neem de taxi. 8. Ik neem de trein. 9. Ik neem de auto. 10. Ik neem de trein. Ik ben zes uur onderweg. 11. Ik ga met het vliegtuig. Dat duurt n uur. 12. Ik ga met het vliegtuig. Ik ben zeven uur onderweg. 13. Ik ga met de auto. Dat duurt acht uur. 14. Ik ga dit jaar naar Griekenland. Ik ga met het vliegtuig.

    Oefening 8 1. Het liedje gaat over de trein.

    De ik-persoon gaat naar zijn vriendin.

    2. Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng oe oe Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng Kedeng oe oe En kilometers spoor schieten onder mij door. Ik ben op weg naar jou, want ik ben weg van jou. Vanochtend vroeg vertrokken in de luwte na de nacht en tien minuten op de trein gewacht. Want die had wat vertraging mijn god daar baal ik van Omdat ik nu tien minuten minder bij jou blijven kan. Refrein Ik zit in een coup niet roken tweede klas. Heb de hele bank voor mij alleen. De conducteur komt langs: "Jongen voeten van de bank" Hij vraagt mijn kaart, waar ga je heen? Nou ik ga naar mijn lief toe, is dit de goede trein? Hij zegt: het staat niet op je kaart maar ik weet waar jij moet zijn. Refrein De trein raast alsmaar verder van station naar station. Ik kom op plaatsen waar ik nooit ben geweest.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 15

    Er rammelt plots kar roept een juffrouw: "koffie thee!" ik heb wel dorst, toch zeg ik nee. Want de trein vermindert vaart terwijl mijn hart steeds sneller gaat. Kijk uit het raam om te zien of zij daar staat. Refrein Ik stap uit, kijk om me heen, even voel ik mij alleen want ik zie haar nog niet staan. Maar vanachter een pilaar verschijnt haar lachende gezicht. Voor mijn gevoel lijkt alles langzamer te gaan. En ik ren op haar af en zij komt mij tegemoet. En achter ons vertrekt de trein, omdat een trein nou eenmaal verder moet. Refrein En ik blijf bij jou slapen want jij woont bij het spoor En 's nachts oelala gaat het ritme door. Refrein Oefening 10

    1. C 25 euro 2. B Omdat hij uit Maastricht komt. 3.

    Vrijthof Onze Lieve Vrouweplein kerk: Sint Servaas X kerk: Sint Jan X kerk: Onze Lieve Vrouwe Basiliek

    X

    groot plein X klein plein X restaurants X terrasjes X X

    4. C In de Grote Staat en bij de Markt.

    5. C Omdat de boekwinkel in een kerk is.

    6. M2 Oefening 11 1. Wanneer heb jij je moeder gebeld? 2. We hebben gisteravond we naar de radio geluisterd. 3. Wat heeft hij gezegd? 4. De televisie heeft 599 gekost. 5. Wie heeft mijn woordenboek gepakt? 6. Ik heb een uur op je gewacht. 7. Helaas hebben we de trein gemist.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 16

    8. Mijn vader heeft Duits gestudeerd. 9. Heb jij de kopjes op tafel gezet? 10. Ik heb mijn opa niet gekend. 11. Mijn oma heeft lang alleen geleefd. 12. We hebben met onze nieuwe buren gepraat. 13. Je hebt lekker gekookt. 14. Hebt / Heeft u wel eens Hollandse haring geproefd? 15. Mila heeft lang in Peru gewoond. Oefening 12

    ben geweest zijn hebben gedaan doen hebben ontmoet ontmoeten heeft gegeven geven zijn gegaan gaan hebben gegeten eten hebben gedronken drinken hebben bezocht bezoeken hebben gewinkeld winkelen hebben gekocht kopen hebben gebracht brengen hebben gegeten eten hebben gedanst dansen zijn gegaan gaan hebben ontbeten ontbijten heb gedronken drinken heb gegeten eten heb genomen nemen zijn gegaan gaan hebben gezien zien hebben geluncht lunchen hebben gewandeld wandelen hebben genomen nemen heb gedaan doen

    Oefening 13

    Hoi Mila, Bedankt voor je enthousiaste mailtje. Je hebt me jaloers gemaakt. Ik ga zeker ook een keer naar Maastricht. Mijn weekend was niet echt leuk. Eigenlijk was het erg saai. Vrijdagavond ben ik wel even met een paar vriendinnen op stap geweest, maar het was niet zo gezellig, dus ik ben vroeg naar huis gegaan. Zaterdag heb ik de hele dag gestudeerd voor een tentamen. s Avonds heb ik naar een actiefilm op tv gekeken, maar dat was helemaal niks. Wat een idiote film, en wat een slechte acteurs! Ik heb de tv uitgezet en daarna heb ik nog wat naar muziek geluisterd. Dat was het enige leuke moment van het weekend. Zondag heb ik weer de hele dag geleerd voor mijn tentamen, en s avonds ben ik vroeg naar bed gegaan. Het tentamen was afgelopen maandag, maar ik ben bang dat ik het niet heb gehaald. Het was veel te moeilijk! Heb ik daar het hele weekend zo hard voor gewerkt? Ik baal ervan. Nou ja, genoeg geklaagd. We moeten binnenkort weer eens wat afspreken. Ik bel je binnenkort. Groetjes Karin

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 17

    Oefening 14 Beste Karin, Ik ben afgelopen weekend met Simone naar Maastricht geweest. Het was erg leuk! Maastricht is een mooie, oude stad. We hebben veel gedaan. In de trein hebben we een man ontmoet. Hij komt uit Maastricht. Hij heeft ons veel tips gegeven. Eerst zijn we naar het Vrijthof gegaan. Dat is een mooi plein in het centrum van Maastricht. We hebben daar wat gegeten en gedronken. Op het plein staan twee kerken. De Sint Servaas hebben we bezocht. Dat is een prachtige, oude kerk. Daarna hebben we gewinkeld. We hebben veel gekocht: hoge laarzen, een broek, een bloes, grappige oorbellen te veel om op te noemen. Je kan in Maastricht echt fantastisch winkelen! We hebben toen eerst alle spullen naar ons hotel gebracht. s Avonds hebben we in een gezellig eetcaf op de Markt gegeten. We hebben ook nog gedanst! Om 3 uur zijn we weer naar ons hotel gegaan. We waren doodop! Op zondag hebben we om 10.00 uur ontbeten. Het ontbijt was super! Ik heb verse jus dorange gedronken, een croissantje en twee harde broodjes gegeten en een gekookt eitje genomen. Daarna zijn we naar het Bonnefantenmuseum gegaan. In het museum hebben we oude en moderne kunst gezien. Het was prachtig! We hebben aan de Maas geluncht en hebben nog door het historische centrum gewandeld. Aan het eind van de middag hebben we de trein terug naar Amsterdam genomen. We waren moe maar voldaan. Als je een keer een weekendje weg wil, moet je eens naar Maastricht gaan. Het is echt de moeite waard! Heb jij dit weekend nog iets leuks gedaan? Groetjes van Mila Oefening 15 1. zwart wit 2. vies lekker / schoon 3. goedkoop duur 4. oud jong / nieuw 5. lang kort / klein 6. snel langzaam 7. positief negatief 8. mooi lelijk 9. warm koud 10. hoog laag 11. leuk vervelend / saai 12. goed slecht 13. licht zwaar / donker 14. dik dun 15. ver dichtbij Oefening 16 1. Ik kom uit een grote familie maar mijn vrouw komt uit een kleine familie. 2. Mijn zus heeft lang haar maar mijn haar is heel kort. 3. Mijn huis zijn al oud maar mijn collega heeft twee nieuw kinderen. 4. Die schoenen vind ik lelijk maar daar zie ik een paar mooie laarzen. 5. Londen is een dure stad maar direct buiten Londen is alles goedkoop. 6. Hij draagt een zwarte broek en een wit overhemd. 7. Ik heb gisteren een vieze pizza gegeten. Vandaag eten we lekkere soep. 8. Ik heb een snelle auto maar in de file rijd ik helaas heel langzaam. 9. s Avonds drink ik een koud pilsje maar s middags drink ik vaak warme thee.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 18

    10. Buiten is het donker maar wij zitten gezellig in onze lichte woonkamer. Lezen Oefening 20 Afbeelding 2 Oefening 21 Als mensen op de rode voetjes staan, mogen ze op de roltrap stilstaan. Als mensen op de groene voetjes staan, moeten ze de roltrap op of af lopen. Oefening 22 b. Filevrije dag redelijk succesvol.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 19

    Thema 5 Vrije tijd Oefening 2 hobby Willem Linda hockeyen X squashen X tennissen X voetballen X bioscoop X theater X ballet X kroegbezoek X concertbezoek X popmuziek X X jazz X klassieke muziek X Oefening 3 Voorbeeld

    1. Ja, ik sport twee keer per week. 2. Ja, ik ga ongeveer n keer per maand naar de bioscoop. 3. Ja, ik luister elke dag naar Nederlandstalige muziek. 4. Ja, ik fiets elke dag. 5. Ja, ik kijk elke dag naar het journaal. 6. Ja, ik ga soms naar een restaurant. 7. Nee, ik ben helemaal niet muzikaal. 8. Nee, ik schaats nooit omdat ik niet kan schaatsen. 9. Ja, ik wandel regelmatig in het bos. 10. Nee, ik ga nooit naar het theater. 11. Nee, ik ben nog nooit in Japan geweest. 12. Nee, ik spreek nooit Nederlands. 13. Nee, ik luister nooit naar de Nederlandse radio. 14. Ja, ik heb n keer een operatie gehad. 15. Ja, ik ga af en toe op bezoek bij mijn buren.

    Oefening 4 1. In het weekend ga ik naar de bioscoop. 2. De zomervakantie is in de maanden juli en augustus. 3. Vandaag is het 13 april. Volgende week is het 20 april. 4. Wij lunchen meestal tussen 12.00 en 13.00 uur. 5. Ik drink bijna altijd wijn bij het eten. Ik vind het lekker. 6. De trein naar Amsterdam vertrekt om 8.45 uur van spoor 5. 7. Twee jaar geleden is Mila naar Nederland gekomen. 8. Ik werk meestal tot vijf uur, maar soms moet ik overwerken. 9. Vorige maand is hij gestopt met zijn studie. 10. Op zaterdag krijgen wij vaak bezoek van vrienden.

    Oefening 5

    1 De student heeft een verhaal over zijn vakantie verteld. 2 Mila en Simone zijn afgelopen weekend naar Maastricht geweest. 3 Wat heb jij in het weekend gedaan? 4 Mijn ouders zijn in 1975 getrouwd. 5 Het examen was makkelijk. Bijna alle studenten zijn geslaagd. 6 Afgelopen zaterdag heb ik naar een mooie film op tv gekeken. 7 Carla heeft in Utrecht twee jaar rechten gestudeerd. 8 Helaas is ze na twee jaar met haar studie gestopt.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 20

    9 Wanneer bent u met de cursus Nederlands begonnen? 10 Welke steden in Nederland hebben jullie al bezocht?

    Oefening 6 1 De studenten hebben samen een oefening gemaakt. 2 De temperatuur is afgelopen week flink gestegen. 3 Hebben jullie de regels van de grammatica goed begrepen? 4 Karel is na zijn studie rechten advocaat geworden. 5 De trein naar Den Haag is zojuist op spoor 5a aangekomen. 6 Gisteren heb ik voor onze gasten Italiaans gekookt. 7 Ik heb verschillende Italiaanse ingredinten gekocht. 8 Vandaag hebben we de woorden uit de vorige les herhaald. 9 Mila en Willem hebben over hun vakantieplannen gesproken. 10 Wat is er met jou gebeurd? Waarom ben je zo nerveus? 11 Gisteravond zijn we bij onze buren op bezoek geweest. 12 Na zijn studie heeft Peter een paar jaar in Brussel gewerkt. Luisteren Oefening 9 A 3 fietsen 11 krant lezen 2 thee en boterham met kaas 4 mail lezen 1 douchen 7 wandelen 10 eten maken 11 nieuws kijken 8 studenten inschrijven 5 post 9 boodschappen doen 6 notulen maken B

    2 - 8 - 1 7 -5 4 9 - 3 -10 - 6

    Oefening 11

    1. Ze gaan een terrasje pikken = ze gaan op een terrasje zitten. 2. Zaterdagmiddag om 15.00 uur.

    Oefening 13 Ik kan het niet alleen De Dijk Elke morgen Elke middag Elke avond Iedere nacht Stel dat ik er wel maar jij er niet was Dan was morgen morgen waarschijnlijk weer zon dag Oh, ik kan 't niet ik kan 't niet ik kan 't niet k-k-kan 't niet

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 21

    ik kan 't niet alleen Natte ramen Kale muren Lege flessen Lege flessen op de gang Lange tanden Late uren Weinig zon Weinig zon en veel behang En ik kan 't niet ik kan 't niet ik kan er niet omheen k-k-kan 't niet ik kan 't niet alleen o ik kan 't niet ik kan 't niet ik kan 't niet Ik heb het geprobeerd gedaan wat ik kan maar alles gaat verkeerd Ik ben ook maar een man En ik kan het niet alleen elke morgen s middags s avonds maar vooral s nachts Stel dat ik er wel maar jij er niet was dan was morgen morgen waarschijnlijk weer zo'n dag En ik kan 't niet ik kan 't niet ik kan er niet omheen k-k-kan 't niet ik kan 't niet alleen en ik kan 't niet ik kan 't niet ik kan het niet alleen Oefening 17

    1. C Ze gaan bij Willem en Mila eten en naar de film. 2. D Over drie weken.

    Oefening 22

    1. Op zaterdag is het drukker in de stad dan op dinsdag. 2. Ik vind pizza lekkerder dan spaghetti. 3. De HEMA is goedkoper dan de Bijenkorf. 4. In de zomer is het warmer dan in de winter. 5. PSV heeft beter gespeeld dan Ajax. 6. Bij deze test heb je minder fouten gemaakt dan de vorige keer. 7. Ik vind die blauwe jurk leuker dan die zwarte. 8. We gaan wel eens naar een concert maar vaker naar de bioscoop. 9. Ik vind artikelen over sport interessanter dan artikelen over politiek. 10. Wat wilt u, rode of witte wijn? Ik wil liever rode wijn.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 22

    11. De reis van hier naar Parijs is langer dan naar Brussel. 12. Nederland is een kouder land dan Spanje. 13. Ik ga morgen een betere computer kopen. 14. Ik heb een kleinere tas dan jij. 15. Op mijn werk heb ik een duurder bureau dan thuis.

    Oefening 23 1. De meeste studenten hebben problemen met de en het. 2. Deze supermarkt is goedkoopste supermarkt in de stad. 3. Van alle supermarkten is die supermarkt het duurst(e). 4. Ik drink het liefst(e) een glas melk bij de lunch. 5. Van alle Europese steden vind ik Rome het mooist(e). 6. Schaatsen is een van de populairste sporten in Nederland. 7. Mijn studententijd was de leukste tijd van mijn leven. 8. Schrijven vind ik het moeilijkste onderdeel van de taal. 9. Van de Nederlandse spelling begrijp ik het minst(e). 10. Brazili is een van de grootste landen ter wereld. Oefening 28

    1. A 72 uur televisiekijken 2. Om wakker te blijven (voor de cafene). 3. B Omdat hij aandacht wil voor kinderen in moeilijke situaties. 4. Ik vind zijn wereldrecords bijzonder omdat hij op deze manier aandacht voor

    kinderen in arme landen wil vragen. 5. heeft verbroken verbreken heeft gekeken kijken heeft gedronken drinken heeft gebroken breken heeft gestaan staan heeft gedrumd drummen

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 23

    Thema 6 Wonen Oefening 2

    1. B. Hun etage is te klein. 2. X een grote woonkamer

    X twee slaapkamers X een tuin of een balkon X een nieuw huis X in of vlakbij het centrum wonen

    3. a. maximaal 250.000 euro 4. a. Ze krijgen een brochure van de makelaar. 5. c. een afspraak maken met de makelaar

    Oefening 4 1 Wat vind je van dit grijze tapijt hier? Ik vind het niet zo mooi als dat rode tapijt daar

    in de hoek. 2 Kijk, in deze slaapkamer hier slaapt onze jongste zoon. Onze oudste zoon heeft ook

    een eigen slaapkamer, die kamer is boven, op zolder. 3 Zie je die auto daar aan de overkant van de straat? Die is van de buurman, en deze

    auto hier voor de deur is van ons. 4 Daar achter in de klas ligt een woordenboek. Is dat van jou? Nee, dit woordenboek

    hier op tafel is van mij. 5 Het is nu eindelijk lente. Ik vind dit seizoen heel fijn. De winter is gelukkig

    afgelopen. Ik hou niet van dat koude seizoen. 6 In de Stationsstraat staan twee huizen te koop. Kijk maar, dit huis hier op nummer

    21 en dat huis daar verderop, op nummer 45. 7 Zes jaar geleden is Pieter naar Utrecht verhuisd. In dat jaar is hij met zijn studie

    begonnen. Nu is hij bijna klaar, hij wil dit jaar afstuderen. 8 Kan ik even op deze computer hier werken? Nee, sorry, deze/die is kapot, maar je

    kunt die computer daar in de hoek gebruiken. Oefening 5 Fred en Marja zoeken een huis.

    Fred en zijn vriendin Marja willen gaan samenwonen, dus ze zoeken een huis. Vandaag zijn ze bij een makelaarskantoor. De makelaar, meneer Melker, ontvangt ze/hen in zijn kamer. Hij praat met ze/hen over wat voor soort huis ze zoeken. Marja zegt tegen meneer Melker: We zoeken een groot huis met een tuin, het liefst in het centrum van de stad. Meneer Melker zegt dat dat niet zo makkelijk is, maar hij zal wel even kijken naar de mogelijkheden. Op de website van zijn kantoor staan twee grote huizen in het centrum, maar ze hebben helaas geen grote tuin. Het eerste huis is mooi en goed onderhouden. Het heeft wel een tuin, maar de tuin is klein en hij ligt op het noorden. Het tweede huis heeft geen tuin maar wel een groot balkon. Het ligt op het zuiden, dus dan heb je veel zon. Fred en Marja vinden dit huis ook mooi. Het heeft een grote woonkamer, hij is 6 bij 12 meter. Op de eerste verdieping zijn drie slaapkamers. Ze zijn licht en ruim. Fred zegt tegen de makelaar: Ik wil beide huizen wel een keer bekijken. En Marja, wat vind jij? Marja zegt: Ja, dat wil ik ook wel. Kunnen we een afspraak maken voor een bezichtiging? Meneer Melker antwoordt: Jazeker, dat kan, ik pak even mijn agenda. Ze maken een afspraak voor volgende week woensdag. Aan het eind van het gesprek vraagt Fred aan de makelaar: Heeft u ook een visitekaartje voor ons? De makelaar pakt een visitekaartje, geeft het aan hem en zegt: Alstublieft, en tot volgende week!

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 24

    Oefening 6 De printer staat niet op een kleine kast naast het bureau, maar op het bureau naast de computer. De gordijnen zijn niet dicht, maar open. Oefening 12

    1. In het begin vond ik het er / hier niet zo leuk maar nu voel ik me er / hier thuis.

    2. Daar kan je makkelijk een huis vinden, maar het is een nieuwe stad dus je vind er / daar geen historische gebouwen.

    3. Hij is er / daar geboren en opgegroeid. Daar heeft hij zijn vriendin ontmoet. 4. Kijk, daar / hier is een groot winkelcentrum. Je kunt er alles kopen wat je nodig

    hebt. 5. Daar kunt u boeken lenen en gebruikmaken van internet. U kunt er / daar ook

    kranten en tijdschriften lezen. Oefening 13 Voorbeeld

    1. Daar wil ik Eiffeltoren bezoeken. 2. We hebben er een leuke film gezien. 3. Hier kom ik elke week. 4. Ik heb er veel plezier gehad. 5. Daar kan je veel verschillende dieren zien.

    Oefening 14

    1. Ze hebben hun huis meer dan vijf jaar geleden gekocht omdat ze een groter huis wilden.

    2. Ze hebben de keuken veranderd, geschilderd en een andere vloer in de woonkamer gelegd.

    3. Uuit de jaren 50. 4. Ze slapen samen op n kamer. Hun kamer is roze en ze hebben veel kleine

    dingetjes. Ze hebben een eigen kastje voor hun dingetjes. 5. Het is een fijne plek, vooral als s ochtends het zonnetje naar binnen schijnt. 6. Zoek spullen voor je huis op rommelmarkten. Geef elke kamer een eigen kleur

    voor een eigen sfeer. Oefening 15 Hier woon ik! Ruim acht jaar wonen Kees Paulussen (49, consultant) en Hannet Bilderbeek (48, purser en vertaler) met hun dochters Merel (12) en Sophie (8) in Heemstede. De eerste verbouwing hebben ze niet zelf gedaan, maar sindsdien heeft Kees zelf veel veranderd. Zijn recentste project is een werkkamer in de achtertuin. We wonen in een hoekwoning uit de jaren dertig. De ligging is heel gunstig: tussen stad en strand, in een sfeervolle en rustige buurt. We hebben drie etages: beneden zijn de keuken en de woonkamer, op de eerste verdieping slapen wij en hebben Hannet en ik onze werkkamers. De meisjes slapen op zolder. Met verbouwen ben ik begonnen met de zolder. Toen de zolder klaar was en de meisjes naar boven gingen, heb ik de werkkamer van Hannet veranderd. Daar heb ik twee grote kasten gemaakt en daarna geschilderd. Nu verander ik de garage in een werkkamer voor mezelf. Daar stonden altijd fietsen, speelgoed en rommel. Ik heb hem goed gesoleerd en de deuren vervangen. Oefening 16 de behanger behangen de elektricien lampen ophangen

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 25

    de hovenier tuinieren de loodgieter lekkende kraan repareren de metselaar een stenen muurtje maken de schilder plafond witten de tapijtlegger laminaat leggen de tegelzetter de badkamer betegelen de timmerman houten meubels maken Oefening 18 Voorbeeld De twee-onder-een-kapwoning is groter dan het rijtjeshuis. Het vrijstaande huis heeft de grootste tuin. Het vrijstaande huis heeft een garage. Het vrijstaande huis is het duurste. Het rijtjeshuis is het kleinst. Oefening 21 1.

    a. (honden)poep : hondenkeutels, vlaai, drol b. Hond: viervoeter c. hondenbezitter: baasjes, eigenaar

    2. C bij een hondentoilet 3. B Omdat ze genoeg hebben van de hondenpoep. 4. A Als de hond niet bij een hondentoilet poept. Oefening 22 Zoek voor de volgende personen een goede woning.

    1. Jeroen en Moniek willen gaan samenwonen. Ze houden van de stad. Ze zoeken een originele woning. Woning C

    2. Michiel en Lisa hebben 3 kinderen. Michiel werkt vaak thuis. Ze zoeken een ruime woning. Woning A

    3. Karel en Angelique hebben een dochter van zes maanden. Ze houden niet van tuinieren en willen niet meer klussen in huis. Woning B

    Oefening 24

    1. D 305.000 mark 2. B In zijn nieuwe huis. 3. C Hij heeft het naar bureau gevonden voorwerpen gebracht. 4. C Misschien, als de eigenaar zich niet binnen 6 maanden meldt.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 26

    Thema 7 Gezondheid Oefening 2

    1 B na een half uur tennissen 2 B Omdat hij thuis pas heeft gezien dat zijn enkel dik was. 3 C Over een halfuur. 4 B Ja, maar het doet wel pijn. 5 C De enkel is gekneusd. 6 B Een week verband en na twee eventueel fysiotherapie.

    Oefening 3 1 Je moet het huiswerk maken. Maak het huiswerk! 2 U moet de rekening betalen. Betaalt u de rekening! 3 Je moet me met deze oefening helpen. Help me met deze oefening! 4 U moet mijn fiets repareren. Repareer mijn fiets! 5 Jullie moeten zachter praten. Praat zachter! 6 U moet een cadeautje voor Angelique kopen. Koopt u een cadeautje voor Angelique! 7 Jullie moeten naar de vergadering komen. Kom naar de vergadering! 8 Je moet de huisarts bellen. Bel de huisarts! 9 Jij moet koffie voor ons zetten. Zet koffie voor ons! 10 U moet ons naar het station brengen. Brengt u ons naar het station! Oefening 4

    1. Alleen als er nog plaats is. 2. U kunt het inschrijfformulier krijgen bij het kennismakingsgesprek. U kunt het ook

    via de website van het huisartsencentrum invullen. 3. Dhr. H.P. van Dam en Dhr. A.M. Assidi. 4. Ze is dan medisch cordinator bij de nascholing van huisartsen. 5. De assistenten spuiten oren uit. 6. a. 030-2259910 b. 030-2259920 c. 030-2259900 7. Voor 12 uur 8. Een consult duurt gemiddeld 20 minuten. Een kort consult duurt maximaal 10

    minuten. 9. Aan het eind van de ochtend en begin van de middag. 10. Dat kan via de website of telefonisch. Oefening 5

    1. Karin zegt dat ze morgen naar de dokter gaat. 2. Max zegt dat zijn oma in het ziekenhuis ligt. 3. Monique en Anky zeggen dat ze volgende week een toets hebben. 4. De docent zegt dat we nu in tweetallen gaan werken. 5. Julia zegt dat ze de tekst niet heeft gelezen. 6. Hendrik zegt dat hij in de pauze altijd koffie drinkt. 7. Corn zegt dat hij zaterdag naar de bioscoop is geweest. 8. Marieke zegt dat haar schoonouders in Leeuwarden wonen. 9. Heleen en Koen zeggen dat ze donderdag een nieuwe auto hebben

    gekocht. 10. Michel zegt dat hij met zijn vriendin een weekend naar Maastricht is

    geweest.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 27

    Oefening 6 Voorbeelden

    1. Waar woon je? - Ik woon in Arnhem. - Elsa zegt dat ze in Arnhem woont. 2. Wanneer ben je geboren. - Ik ben geboren op 10-10-1988. - Elsa zegt dat ze op

    10-10-1988 is geboren. 3. Wat heb je gisteren gedaan? Ik ben naar een museum geweest. Elsa zegt dat

    ze naar een museum is geweest. 4. Wat ga je dit weekend doen? Ik ga zaterdag naar de markt. Elsa zegt dat ze

    zaterdag naar de markt gaat. 5. Hoe kom je naar de les? Ik ga met de fiets. Elsa zegt dat ze met de fiets gaat. 6. Hoe lang ben je onderweg? Ik moet 10 minuten fietsen. Elsa zegt dat ze 10

    minuten moet fietsen. 7. Hoe ga je meestal op vakantie? Meestal ga ik met de trein. Elsa zegt dat ze

    meestal met de trein gaat. 8. Hoeveel broers en zussen heb je? Ik heb twee broers. Elsa zegt dat ze twee

    broers heeft. 9. Wat zijn je hobbys? Ik tennis en ga graag naar de bioscoop. Elsa zegt dat ze

    tennist en graag naar de bioscoop gaat. 10. Wat doe je? Ik studeer biologie. Elsa zegt dat ze biologie studeert. 11. Woon je in een studentenhuis? Ja, ik woon met zes huisgenoten in een

    studentenhuis. Elsa zegt dat ze met zes huisgenoten in een studentenhuis woont.

    12. Wat drink je het liefst? s Ochtends drink ik het liefst koffie. Elsa zegt dat ze s ochtends het liefst koffie drinkt.

    13. Wat eet je het liefst? Ik eet het liefst lasagne. Elsa zegt dat ze het liefst lasagne eet.

    14. Hoe laat eet jij? Ik eet om 19.00 uur. Elsa zegt dat ze om 19.00 uur eet. Oefening 7 Voorbeelden

    1. De leraar zegt dat we oefening 6 moeten maken. 2. Willem en Mila hopen dat ze snel een leuk huis vinden. 3. Ik denk dat ik koorts heb. 4. De president heeft gezegd dat jongeren hun opleiding moeten afmaken. 5. Wij hebben gehoord dat de docent ziek is. 6. Mijn vader heeft mij verteld dat hij volgend jaar met pensioen kan gaan. 7. In de krant heb ik gelezen dat de huizenprijzen weer stijgen. 8. Wij denken niet dat we dit jaar op vakantie gaan. 9. Mijn baas zegt dat ik mijn werk goed doe. 10. Ik weet zeker dat ik de toets heb gehaald.

    Oefening 11 in het oog het netvlies boven de ogen de wenkbrauwen onder en boven de ogen de wimpers in het oor het trommelvlies in de mond de kiezen, de tanden, de tong in het hoofd de hersenen aan de hand de duim, de pink aan de voet de tenen in het bovenlichaam het hart, de lever, de nieren tussen keel en longen de luchtpijp tussen keel en maag de slokdarm tussen onderarm en hand de pols tussen boven- en onderarm de elleboog tussen boven- en onderbeen de knie tussen onderbeen en voet de enkel

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 28

    Oefening 12 1. Mijn moeder heeft lange haren. 2. Ik heb last van mijn ogen als ik lees. 3. Je oren zijn vies. 4. Mijn lippen zijn droog. 5. Jullie hebben rode wangen. 6. Zijn schouders doen pijn. 7. Mijn armen zijn moe. 8. Draai je ellebogen naar buiten. 9. Alice heeft haar polsen gebroken met schaatsen. 10. De koningin moet vaak handen schudden. 11. Ik heb zwakke enkels, ik mag niet meer tennissen. 12. We hebben tien vingers. 13. Mijn collega heeft altijd rode nagels. 14. Als ik veel heb gefietst, heb ik pijn aan mijn billen. 15. Haar broer heeft lange benen. 16. Jij hebt grote voeten. 17. Zij heeft heel lange wimpers. 18. Hij heeft pijn aan zijn knien. Oefening 13 Voorbeelden

    1. Ik voel me niet zo goed. 2. Ik heb last van mijn rug. 3. Mijn onderrug doet pijn. 4. Sinds twee dagen. 5. Nee, dit is de eerste keer. 6. Nee, ik heb geen koorts. 7. Nee, ik heb geen hoofdpijn. 8. Nee, als ik in bed lig, heb ik ook veel last van mijn rug. 9. Nee, ik rook niet. 10. Ja, ik voetbal en fiets. 11. Ik denk dat ik gezond eet. 12. Nee, ik heb geen allergie.

    Oefening 16

    1. 3 uur per dag 2. 6,5 uur per dag 3. het weer het werk het huishouden 4. in de lente 5. Ze hebben rode wangen en een hond. 6. Ze zitten met pantoffels aan op de bank. 7. Ze hebben een grauwe, droge huid.

    Oefening 17 1. b. sinds 2004 2. d. 2 dochters en 1 zoon 3. b. Met haar vader en moeder. 4. c. Ze doet het praktijkmanagement en werkt in de apotheek. 5. b. Toen ze 4 jaar was. Oefening 18

    1. Kun jij de deur even opendoen? 2. Ik heb me gisteren voor een taalcursus ingeschreven. 3. Ik wil jullie voor mijn verjaardag uitnodigen. 4. Zet de tv even aan! De film begint zo.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 29

    5. Mila heeft haar familie van Schiphol opgehaald. 6. We moeten snel doorlopen, anders komen we te laat. 7. Peter staat elke dag om 7 uur op. 8. Bij een test moet je je mobiele telefoon uitzetten. 9. Na het eten wassen wij altijd meteen af. 10. Gisteravond heb ik eindelijk mijn scriptie afgemaakt.

    Oefening 19

    1. Op spoor 7 komt de trein uit Maastricht aan. 2. Schrijven jullie je voor de volgende cursus in? 3. Als Mirjam haar moeder opbelt, praten ze wel een uur! 4. Doe jij de deur even dicht? 5. Ik trek voor het feest mijn nieuwe jurk aan. 6. Als we bij de halte Museumplein uitstappen, moeten we nog 5 minuten lopen.

    Als we uitstappen bij de halte Museumplein, moeten we nog 5 minuten lopen. 7. Hij zoekt nieuwe woorden in zijn woordenboek op.

    Hij zoekt nieuwe woorden op in zijn woordenboek. 8. Nico zegt dat hij graag met mij samenwerkt. 9. Meestal sta ik om half acht op.

    Meestal sta ik op om half acht. 10. Studenten gaan vaak op donderdagavond uit.

    Studenten gaan vaak uit op donderdagavond. 11. Voor het examen lees ik het hoofdstuk nog een keer door. 12. We drogen samen de glazen af. 13. Als jij na het eten afwast, zet ik koffie. 14. Ik ruim altijd mijn eigen kamer op. 15. Neemt u die film op dvd op?

    Oefening 20

    1. Gisteren zijn we om vijf uur weggegaan. 2. Het is donker omdat hij het licht heeft uitgedaan.

    Het is donker omdat hij het licht uitgedaan heeft. 3. Sorry, ik heb mijn boeken niet meegenomen. 4. We hebben om twee uur met Karin afgesproken. 5. Je mag naar huis als je de oefening hebt afgemaakt.

    Je mag naar huis als je de oefening afgemaakt hebt. 6. Carla en Vincent hebben ons voor hun bruiloft uitgenodigd.

    Carla en Vincent hebben ons uitgenodigd voor hun bruiloft. 7. Als ik de kinderen heb opgehaald, ga ik boodschappen doen.

    Als ik de kinderen opgehaald heb, ga ik boodschappen doen. 8. Heb jij de boeken naar de bibliotheek teruggebracht? 9. Als we het formulier hebben ingevuld, doen we het op de post.

    Als we het formulier ingevuld hebben, doen we het op de post. 10. Gisteren heb ik mijn huiswerk bij de docent ingeleverd. 11. Toen het donker was, hebben we het licht aangedaan. 12. Om 23.00 uur heeft hij de televisie aangezet. 13. Zijn jullie bij de halte Koningsplein uitgestapt?

    Zijn jullie uitgestapt bij de halte Koningsplein? 14. Mijn opa en oma hebben een stukje chocola voor ons meegnomen. 15. Waar is David ingestapt?

    Oefening 21 Voorbeelden A

    1. Ik slaap zondag tot tien uur uit.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 30

    2. Ik geef dit jaar een verjaardagfeest. Ik nodig mijn familie, vrienden en collegas uit.

    3. Ik doe altijd mijn schoenen uit als ik thuis ben. 4. Ik vul niet vaak formulieren in. 5. Ik neem mijn boek, een pen, papier en een woordenboek mee. 6. Ik ga om vijf uur teug naar huis. 7. Ik lever aan het begin van de les mijn huiswerk in. 8. Ik werk vaak met Olivier samen. 9. Vanavond maakt mijn vriend het eten klaar. 10. Ik ga zaterdag met vrienden uit. We gaan naar een disco.

    B

    1. Bent u vorig weekend vroeg opgestaan of hebt u uitgeslapen? Zaterdag ben ik vroeg opgestaan maar zondag heb ik lekker uitgeslapen.

    2. Hebt u vorig jaar een verjaardagsfeest gegeven? Wie hebt u uitgenodigd? Ik heb een verjaardagsfeest gegeven. Ik heb een paar vrienden uitgenodigd.

    3. Hebt u uw schoenen uitgedaan toen u thuiskwam of hebt u ze aangehouden? Ik heb mijn schoenen aangehouden.

    4. Hebt u vaak formulieren ingevuld? Ja, ik heb vaak inschrijfformulieren ingevuld.

    5. Wat hebt u naar de les meegenomen? Ik heb mijn boek, een schrift, een potlood, pen en gum meegenomen.

    6. Hoe laat bent u gisteren naar huis teruggegaan? Ik ben gisteren om zes uur naar huis teruggegaan.

    7. Wanneer hebt u uw huiswerk ingeleverd? Ik heb gisteren mijn huiswerk ingeleverd.

    8. Met wie hebt u vaak samengewerkt? Ik heb vaak met Alice samengewerkt.

    9. Wie heeft gisteravond het eten klaargemaakt? Gisteren heb ik het eten klaargemaakt.

    10. Ben je zaterdag uitgegaan? Nee, ik ben zaterdag niet uitgegaan.

    Oefening 22

    1. C maximaal zeven dagen 2. C neus schoonmaken in elk neusgat sprayen flacon schoonmaken 3. B maximaal zes keer per dag 4. C. Contact opnemen met uw arts of apotheek.

    NEUSSPRAY In deze bijsluiter vindt u belangrijke informatie over het gebruik van dit geneesmiddel. Lees de tekst zorgvuldig door! (inf. = doorlezen) Als u daarna nog vragen hebt, neem dan contact op met uw apotheek.(inf. = opnemen) Waar moet u op letten? Langdurig gebruik van deze neusspray veroorzaakt een verstopte neus. Gebruik

    daarom de neusspray niet langer dan 7 dagen achterelkaar. (inf. = gebruiken)

    Als de klachten na zeven dagen niet verminderen, gaat u dan naar uw huisarts. Vertel uw arts welke geneesmiddelen u gebruikt en hoe lang. (inf. = vertellen)

    Sommige patinten kunnen op dit geneesmiddel sterk reageren in de vorm van slapeloosheid, duizeligheid, hartkloppingen of een verhoogde bloeddruk. Stop in dit

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 31

    geval met het gebruik van deze neusspray (inf. = stoppen) en vraag uw arts of apotheker om advies. (inf. = vragen)

    Hoe moet u de neusspray gebruiken? U moet eerst de neus goed snuiten. Houd het hoofd rechtop. (inf. = houden) Houd de flacon ook rechtop (inf. = houden) en spray eenmaal in elk neusgat (inf. = sprayen). Snuif de spray goed op (inf. = opsnuiven). Spoel na elk gebruik het uiteinde van de flacon met heet water af (inf. = afspoelen) en droog hem af met een schone tissue (inf. = afdrogen). Sluit de flacon goed. (inf. = sluiten) Welke dosering? Volwassenen en kinderen vanaf 6 jaar 1 verstuiving per keer in elk neusgat,

    maximaal 4 tot 6 keer per dag. Neem nooit de maximale dagdosis in n keer (inf. = nemen) maar verspreid

    het over de dag (inf. = verspreiden). Gebruik de neusspray niet langer dan 7 dagen achterelkaar. (inf. =

    gebruiken) Welke bijwerkingen kan de neusspray hebben? De volgende bijwerkingen kunnen optreden: een brandend gevoel in de neus of keel,

    lokale irritatie, misselijkheid, hoofdpijn, duizeligheid, hartkloppingen en een droog neusslijmvlies.

    Waarschuw uw arts of apotheker (inf. = waarschuwen) wanneer u last heeft van een van de bovengenoemde bijwerkingen. Oefening 23 de / het tablet kauwen, innemen, (door)slikken, in water oplossen de capsule innemen, doorslikken de pil innemen, doorslikken, in water oplossen de zalf aanbrengen, insmeren het drankje innemen de druppels innemen, doorslikken, in water oplossen Oefening 24

    1. Maak het tablet fijn. Meng het met water of sap. Neem maximaal 4 tabletten per dag in. Wacht tenminste 4 uur na elk tablet. Gebruik het niet langer dan 4 dagen.

    2. Werp eerst geld in of voer uw pinpas in. Kies dan een drankje. Druk daarna de startknop in. Wacht dan tot de beker gevuld is. Neem ten slotte de beker uit de automaat.

    3. Ga eerst naar Start. Klik dan de lijst met programmas aan. Selecteer daarna het gewenste programma. Klik dan op de geselecteerde icoon. Werk ten slotte met het programma.

    4. Kies eerst uw bestemming. Kies daarna de kaartsoort. Geef dan vol tarief of met korting aan. Voer daarna uw pinpas in. Toets uw pincode in. Neem dan uw pinpas uit. Haal ten slotte het kaartje uit de automaat.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 32

    Oefening 25 Voorbeeld Ellen ligt ziek in bed. Ze belt de huisarts. Ze zit in de wachtkamer. Ze praat met de huisarts. De huisarts onderzoekt haar. Ellen krijgt een recept. Ze gaat naar de apotheek. Thuis neemt ze het drankje in. Oefening 26

    1. B. met een buurjongen 2. D. tot 1993 3. B. een vrouw uit Portugal

    Oefening 27

    levensverwachting aantal jaren in goede gezondheid

    hoogopgeleide man 79 jaar 69 jaar

    laagopgeleide man 72 jaar 50 jaar

    hoogopgeleide vrouw 84 jaar 69 jaar

    laagopgeleide vrouw 78 jaar 50 jaar

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 33

    Thema 8 Uiterlijk en karakter Oefening 2

    1. c. Ze wil naar haar familie en vrienden in Peru. 2. c. Hij wil dit jaar eens iets anders doen. 3. Omdat de familie van Willem gewoon in Nederland woont. Hij kan zijn familie

    regelmatig bezoeken. Mila kan dat alleen maar in een vakantie doen. 4. Omdat ze al een paar keer in de vakantie naar Peru zijn geweest. Nu mag Mila

    ook een keer aan hem denken. 5. b. Genieten van zon en zee, wandelen en culturele dingen doen. 6. c. Genieten van zon, lekker eten en drinken en uitrusten. 7. b. Ze gaan samen naar Griekenland 8. a. Dan gaan ze misschien een weekje naar Peru.

    Oefening 3 afwachtend ondernemend arrogant bescheiden druk rustig egostisch sociaal extravert introvert gesloten open gevoelig nuchter hard werkend lui netjes slordig onzeker zelfverzekerd optimistisch pessimistisch Oefening 5

    1. woonde 2. kookten 3. praatten 4. luisterden 5. pakten 6. voelde 7. leefden 8. studeerde 9. miste 10. slaagde

    Oefening 6

    1. werkten 2. was had 3. studeerde 4. vond 5. kwam - ging 6. duurde kon 7. deed haalde 8. zei wilde / wou 9. waren moesten 10. werd zag

    Oefening 7 1. d. tweenhalf jaar 2. b. Het heeft positieve en negatieve kanten. 3. c. Niet zo goed, maar ze kan zich redden in simpele conversatie. 4. b. Op straat zijn ze vaak bot, thuis zijn ze heel vriendelijk tegen hun gasten. 5. b. Dat mensen zo dicht tegen elkaar aan staan in de rij.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 34

    6. b. Misschien over tweenhalf jaar. Oefening 8 A

    1. c. 10 jaar 2. b. De liefde was voorbij en ze voelde zich niet vrij in haar huwelijk. 3. a. In het begin ging het niet zo goed, maar nu gaat het veel beter. 4. b. Om drie uur, en dan gaat ze naar haar moeder in de winkel. 5. a. Kort na de scheiding wilde hij geen contact, maar nu gaat het redelijk. 6. c. Misschien later, maar nu niet. 7. ondernemend, chaotisch, sociaal (goed met mensen kunnen omgaan), ze houdt

    van vrijheid B Twee jaar geleden nam (nemen) ik de moeilijkste beslissing van mijn leven. Na een huwelijk van vier jaar ben ik gescheiden van mijn man. Voor ons huwelijk woonden (wonen R) we al zes jaar samen, we kregen (krijgen) een dochter, Merel. Toen Merel n jaar was (zijn), zijn we getrouwd. Alles leek (lijken) prima in het begin, we waren (zijn) gelukkig. Maar na een paar jaar kreeg (krijgen) ik twijfels, en na vier jaar huwelijk was (zijn) het afgelopen voor mij. Ik hield (houden) niet meer van mijn man en ik voelde (zich voelen R) me niet vrij in mijn huwelijk. Ik ben altijd een ondernemend type geweest en droomde (dromen R) van een eigen bedrijf. Na mijn scheiding kon (kunnen) ik eindelijk mijn droom waarmaken. Met hulp van familie en vrienden ben ik een winkeltje in woonartikelen begonnen. In de eerste maanden was (zijn) het erg moeilijk omdat ik veel moest (moeten) regelen. Dat is moeilijk in je eentje en ik ben nogal chaotisch. Maar gelukkig heb ik veel goede adviezen en hulp gehad en nu loopt de winkel goed. Ik doe mijn werk met veel plezier. Ik kan goed met mensen omgaan en heb leuk contact met mijn klanten. Ik heb al veel vaste klanten. Het geeft een goed gevoel als de klant blij de winkel verlaat. Mijn werk kan ik goed combineren met de opvoeding van mijn dochter. We wonen vlakbij de winkel en haar basisschool. Ik breng haar s ochtends eerst naar school en ga dan naar de winkel. De winkel is open van 10.00 tot 17.00 uur. Als mijn dochter om drie uur uit school komt, drinken we samen wat en dan kan ze in een kamer achter in de winkel spelen. Om 17.00 uur sluit ik de winkel en gaan we naar huis. Na het eten doen we samen nog een spelletje of kijken we tv. Als ze in bed ligt, doe ik de administratie of schrijf ik wat in mijn dagboek. Ik vind schrijven leuk, en het helpt me ook om mijn ervaringen en emoties op een rijtje te zetten. Mijn ex-man woont ook nog in Eindhoven. Direct na de scheiding was (zijn) een moeilijke tijd. Hij begreep (begrijpen) niet waarom ik wilde (willen R) scheiden en wilde (willen R) me een tijdje niet meer zien. Maar na een jaar ging (gaan) dat beter en nu hebben we redelijk contact met elkaar. Dat is ook wel praktisch en fijn voor onze dochter. Merel is twee keer per maand een weekend bij haar vader. Als het nodig is, kan ze ook op andere dagen bij hem terecht, dat hebben we gelukkig heel soepel geregeld. Ik vind het belangrijk om ook nog tijd voor mezelf te hebben. Ik ga n keer per week zwemmen en ik ga ook regelmatig met vriendinnen uit eten of naar de bioscoop. Dat is heerlijk ontspannend. Soms hoop ik dat ik weer een leuke man ontmoet, want alleen zijn is niet altijd gemakkelijk. Maar eigenlijk ben ik ook wel blij met mijn leven en mijn vrijheid nu. Voorlopig wil ik nog geen nieuwe relatie. Oefening 10 1. Voelt u zich niet goed? 2. Elke dag scheert mijn man zich elektrisch. 3. Herinneren jullie je je eerste vakantie zonder ouders? 4. Ik verbaas me over het aantal fietsen in Nederland. 5. Na de vakantie voelen we ons altijd weer helemaal fit. 6. Hij zegt dat hij zich regelmatig verslaapt. 7. We maken ons zorgen over de gezondheid van oma.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 35

    8. Ik erger me aan de hondenpoep in mijn straat. 9. U kunt zich nog tot 1 april voor de cursus aanmelden. 10. Verheug jij je al op de vakantie? Oefening 11 1. We hebben ons bij de receptie gemeld. 2. Op vakantie heeft ze zich drie dagen niet zo goed gevoeld. 3. Toen ik in Nederland kwam, heb ik me over de vele koeien verbaasd. 4. En maand geleden hebben de studenten zich voor de cursus Portugees ingeschreven. 5. Peter heeft zich in de datum vergist. 6. Hebben jullie je gisteravond ook aan het lawaai gergerd? 7. We hebben ons erg op de bruiloft vab Sarah en Marin verheugd. 8. Hij heeft zich zorgen gemaakt over het resultaat van zijn toets. 9. Hebben jullie je aan die persoon gergerd? 10. Hebben jullie je al voor de nieuwe cursus ingeschreven? Oefening 12 1. Mijn vader scheerde zich vroeger niet elektrisch. 2. Toen we jonger waren, versliepen we ons regelmatig. 3. Gisteren voelde ze zich niet zo goed. 4. Toen ik in Nederland kwam, verbaasde ik me over de vele nationaliteiten in mijn buurt. 5. Toen hij op het makelaarskantoor kwam, meldde hij zich bij de receptie. 6. Mijn oma herinnerde zich haar kindertijd nog goed. 8. Toen ik in de stad woonde, ergerden mijn buren zich altijd aan mijn katten. 9. Hij maakte zich vroeger altijd zorgen over zijn uiterlijk. 10. Peter vergiste zich vaak in mijn naam. Oefening 13 Voorbeelden

    1. Ik heb me in augustus voor deze cursus ingeschreven. 2. We hebben ons via internet aangemeld. 3. Ja, ik heb me maandag verslapen. 4. Ja, ik erger me soms aan hun kinderen. Ze maken s ochtends veel lawaai. 5. Ja, ik interesseer me voor moderne kunst. 6. Nee, ik scheer me niet elke dag. Ik scheer me drie keer per week. 7. Ja, ik maak me elke dag op. 8. Ik verbaas me over het verkeer. 9. Ja, we maken ons zorgen over de natuur. 10. ja, ik herinner me mijn eerste lerares nog goed. 11. We voelen ons vandaag prima. 12. Dan voel ik me niet zo goed. 13. Ik voelde me erg onzeker. Ik kende nog niemand. 14. Ja, we verheugen ons op de vakantie. 15. Nee, ik kan me niet aan het Nederlandse klimaat aanpassen.

    Oefening 14 1. a. Ze zijn in hetzelfde jaar geboren en hebben allebei op de hotelschool gezeten. 2. c. Ze willen hun ervaring met bed-and-breakfast toepassen in het mooie Itali. 3. c. Omdat het land en de natuur er heel mooi zijn. 4. b. Karin is 29 en Joshua is 23. 5. b. Hij is restaurateur. Oefening 15 c. Ja, omdat zijn partner vaak verrassende dingen doet.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 36

    Oefening 16 A Druiven stelen tekst 2 Slecht Engels tekst 6 Oorzaak van files tekst 3 Winkelen in tangaslip tekst 5 Lawaai in Antwerpen tekst 1 Redders in nood tekst 4 Oefening 17 1 B 2 A Oefening 20 A Oefening 21

    1. Ze heeft Roderick in de trein ontmoet. 2. Over niks. 3. Twee dagen later gingen ze een hapje eten en naar de bioscoop. 4. Hij is knap en kleiner dan Emma. 5. Hij is lief en grappig, maar ook een beetje arrogant. 6. Ze kennen elkaar drie weken. 7. Hij is druk, ongeduldig, direct, nieuwsgierig.

    Oefening 22

    1. Er woonden - studenten naast ons. De studenten kwamen vaak laat thuis. 2. Wat is het probleem? Er zijn - problemen met mijn computer. 3. Er staat - thee op tafel. Pas op! De thee is heet. 4. De trein naar Amsterdam vertrekt om 10.25 uur. Er vertrekt ook een trein om

    10.48 uur. 5. Er ligt een mobiele telefoon op tafel. Van wie is de telefoon? 6. Er spelen - kinderen op straat. De kinderen voetballen. 7. De wc op de eerste verdieping is vies. Er is nog een wc op de tweede verdieping. 8. Er heeft een vrouw voor u gebeld. De vrouw wilde een afspraak met u maken. 9. Het inschrijfformulier moet u voor vrijdag opsturen. Er liggen - formulieren bij de

    administratie. 10. Het brood is bijna op. Er ligt nog - brood in de vriezer.

    Oefening 23 1. Hij heeft een vrouw ontmoet en wil haar weer zien. 2. Ze is blond en droeg een zwart pak, witte blouse en hoge hakken. 3. Ze kan mailen. 4. Dat weten we niet.

    Oefening 24 Man 1 en vrouw C, want ze zijn allebei avontuurlijk en sportief. Man 2 en vrouw A, want zij is zorgzaam en hij romantisch. Man 3 en vrouw B, want ze houden allebei van lekker eten en leuke dingen doen. Oefening 27

    1. Met zichzelf omdat hij tien jaar geleden had beloofd een bruiloft te organiseren als hij 40 werd.

    2. een bruidegom + een etalagepop + 120 gasten + eten en drinken + de moeder van de bruidegom

    3. c. Hij had te veel alcohol gedronken.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 37

    Thema 9 Opleiding en werk Oefening 2

    1. c. vrijdag om 16.00 uur 2. d. In alle avondgroepen. 3. b. Zo snel mogelijk. 3. c. Via de website van het instituut.

    Oefening 4 Voorbeeld

    1. Ik ga naar de cursus Nederlands om goed Nederlands te leren. 2. Ik ga naar het strand om te wandelen. 3. Ik ga naar de bank om een rekening te openen. 4. Ik ga naar een museum om naar mooie schilderijen te kijken. 5. 6. Ik ga naar Itali om de toren van Pisa te bezoeken. 7. Ik ga naar Parijs om vrienden te bezoeken. 8. Ik ga naar Amsterdam om te winkelen. 9. Ik ga naar China om de Chinese muur te zien. 10. 11. Ik bel de dokter om een afspraak te maken. 12. Ik doe aan sport om gezond te blijven. 13. Ik ben op dieet om 5 kilo af te vallen. 14. Ik kijk naar het nieuws om het laatste nieuws uit mijn land te horen. 15. Ik gebruik een woordenboek om moeilijke woorden op te zoeken. 16. Ik vind het gezellig om met vrienden samen te eten. 17. Ik vind het moeilijk om Nederlands te spreken. 18. Ik vind het interessant om andere landen te bezoeken. 19. Ik vind het vervelend om mijn huiswerk te maken. 20. Ik vind het fantastisch om op vakantie te gaan.

    Oefening 5 1. a. Ja 2. a. Ja 3. b. Nee 4. c. Bellen met 0900 200 12 12. 5. 28,50 (12,00 + 7,50 + 9,00) 6. b. Een e-mail sturen. Oefening 8 1. VMBO, HAVO en VWO 2. VWO en HBO 3. HAVO, VWO en MBO 4. VWO 5. VMBO 6. basisschool 7. HAVO 8. Een profiel is een pakket met verschillende vakken (verplichte en keuzevakken). 9. vanaf 5 jaar 10. Het cito maakt toetsen en examens. Oefening 10 1. b. Omdat daar de beste economische faculteit van Nederland is. 2. b. Omdat de basisvakken erg theoretisch zijn. 3. a. De kwaliteit van hun colleges is heel verschillend. 4. c. Ze werken hard aan hun studie maar hebben het ook gezellig. 5. c. Hij sport twee keer per week en werkt in een broodjeszaak.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 38

    Oefening 13 1. b. Aan de hogeschool. 2. Ze heeft contact met klanten. Ze maakt planningen. Ze let op budgetten. 3. c. 50 uur per week 4. c. Na 9.00 uur. 5. b. Heel dynamisch maar niet altijd leuk. 6. c. Het contact met internationale klanten. Oefening 17 1 b. De vrijwilliger krijgt geen salaris. 2 c. In vacaturebanken op internet kijken. 3 a. Als u niet zeker weet welk vrijwilligerswerk u leuk vindt. Oefening 20 1 Hij is ontwerper. 2 Hij heeft een huis voor zijn kat gemaakt omdat hij veel van zijn kat houdt. 3 Het is een moderne minivilla. Het is van hout gemaakt en geschilderd. Het huis heeft een veranda, een woonkamer op de eerste etage en een geheime gang. 4 Nee.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 39

    Thema 10 Verleden, heden, toekomst Oefening 2

    1. c. In een dorpje bij Lima. 2. a. Dat ze haar ouders vaak moest helpen op het land. 3. b. Ze werkte hard maar was ook altijd goed voor haar kinderen. 4. c. Ze heeft bij een bank gewerkt en voor haar broers en zus gezorgd. 5. a. Ongeveer vijf jaar. 6. c. Ze wil gaan studeren.

    Oefening 3

    1 Ik moest mijn ouders vaak helpen op het land of met het huishouden. Soms vond ik dat vervelend want ik wilde liever met mijn vriendjes en vriendinnetjes buiten spelen. moest = OVT (moeten) vond = OVT (vinden) wilde = OVT (willen

    2 Toen ik 17 was, werd mijn moeder ziek. Ze kreeg kanker en moest regelmatig naar het ziekenhuis voor behandeling. Een jaar later bleek dat ze niet meer beter kon worden. De laatste maanden hebben we thuis voor haar gezorgd. En toen is ze overleden, dat is nu zeven jaar geleden. was = OVT (zijn) werd = OVT (worden) kreeg = OVT (krijgen) moest = OVT (moeten) bleek = OVT (blijken) kon = OVT (kunnen) hebben gezorgd = VTT (zorgen) is overleden = VTT (overlijden)

    3 Ze was een fantastische moeder. Ze werkte hard maar had altijd aandacht voor ons. Als we uit school kwamen, dronken en aten we samen iets. s Avonds speelden we vaak nog een spelletje voordat we gingen slapen. Ze vond het erg belangrijk dat we goed ons best deden op school.

    was = OVT (zijn) werkte = OVT (werken) had = OVT (hebben) kwamen = OVT (komen) dronken = OVT (drinken) aten = OVT (eten) speelden = OVT (spelen) gingen = OVT (gaan) vond = OVT (vinden) deden = OVT (doen)

    4 Na de dood van mijn moeder hebben we een moeilijke periode gehad. Ik werkte full time maar mijn broers en zus zaten nog op school. Mijn vader had het druk met de boerderij en ik moest voor mijn broers en zus zorgen. Dat was zwaar in combinatie met mijn baan. hebben gehad = VTT (hebben) werkte = OVT (werken) zaten = OVT (zitten) had = OVT (hebben) moest = OVT (moeten) was = OVT (zijn)

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 40

    5 Zon vijf jaar geleden heb ik Willem ontmoet. Hij was voor zijn studie in Peru en af

    en toe kwam hij als klant bij de bank waar ik toen werkte. Het was liefde op het eerste gezicht. Na vier maanden moest hij weer terug naar Nederland. We hebben in die periode veel gebeld en gemaild. Willem is nog drie keer naar Peru gekomen en ik ben twee keer naar Nederland gegaan. heb ontmoet = VTT (ontmoeten) was = OVT (zijn) kwam = OVT (komen) werkte = OVT (werken) was = OVT (zijn) moest = OVT (moeten) hebben gebeld = VTT (bellen) hebben gemaild = VTT (mailen) is gekomen = VTT (komen) ben gegaan = VTT (gaan)

    Oefening 4 Mexicaanse griep op de top van een Maya-tempel?

    Afgelopen week zijn wij teruggekomen van een fantastische reis door Mexico. We waren met een groep van 15 personen. We hebben daar veel mooie steden bezocht, we hebben tochten door het landschap gemaakt en verschillende Maya-tempels gezien. Het was heel indrukwekkend om tussen de restanten van die tempels te lopen en alle beelden en muurschilderingen te zien. We hebben enorm genoten. Het was wel heel warm in Mexico; midden op de dag kon je het beste een siesta houden. Maar ik ben nogal eigenwijs en wilde / wou op een dag toch iets actiefs doen. Ik had het plan om rond twee uur s middags naar de top van een hoge tempel te klimmen. Ik vroeg aan mijn reisgenoten wie er met me mee wilde gaan. Helaas, niemand wilde / wou met me mee. Ze zeiden: Ben je nou helemaal gek geworden, dat overleef je niet in die hitte! Maar hun reactie stimuleerde mij juist om dit idiote plan toch uit te voeren. Dus ik ben alleen naar boven gegaan, zonder eten, met een klein flesje water. Aan het begin ging het goed, maar toen kreeg ik problemen. Het was zo warm dat ik elke vijf minuten een slok water moest drinken. Mijn fles water was dus al leeg toen ik boven aankwam. Op de top vond ik nergens schaduw, dus ik stond daar in de brandende zon en begon me steeds slechter te voelen. Wat gebeurt er met me?, dacht ik. Heb ik een acute aanval van de Mexicaanse griep gekregen, of is het een zonnesteek? Ik viel bijna flauw en dacht nog maar n ding: zo snel mogelijk naar beneden! Ik weet niet meer hoe, maar ik ben beneden gekomen, rood verbrand en zwalkend als een dronkenman. Toen mijn reisgenoten me zo zagen, dachten ze eerst dat ik een geest was. Maar daarna hebben ze me snel geholpen en goed voor me gezorgd. Ik heb wat gegeten en veel gedronken, en de volgende dag voelde ik me al een beetje beter. De laatste dagen van de reis zijn we in een badplaats aan de kust geweest. Daar heb ik alleen nog aan het strand gelegen en een beetje in zee gezwommen. Zo werd ik weer helemaal fit en kon ik gezond terugreizen naar Nederland. Mijn reisgenoten waren opgelucht over mijn herstel, maar ze hebben me nog maanden lang de idioot van de groep genoemd. Oefening 5

    1. a. De dochter van de zanger. 2. Je hebt nog heel wat voor de boeg. 3. Er waren mooie babys bij (zijn)

    maar niet zo lief als jij Anne Van al dat wit en zoveel licht gingen van schrik je ogen dicht (gaan) Anne

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 41

    Even kreeg ik kriebels in mijn keel (krijgen) maar je had geen pink te veel (hebben) Anne Ik stond te blozen was zo blij (staan) jij moest er haast van lachen (moeten) Anne Er waren mooie babys bij (zijn) maar niet zo lief als jij Anne Alleen de ogen van je moeder waren net zo mooi als jij Anne

    Oefening 6 1. a. Het interieur en de menukaart. 2. c. In een restaurant in een woonwijk komen vaak dezelfde gasten. 3. a. Hij wil in Nederland in zijn restaurant blijven werken.

    Oefening 8 Voorbeelden

    1. Volgende week ga ik naar Den Haag. 2. Na deze cursus ga ik psychologie studeren. 3. Over een jaar spreek ik perfect Nederlands. 4. Komende vakantie ga ik naar Zwitserland. 5. Nee, ik ga niet verhuizen. 6. Ik wil in de toekomst graag terug naar mijn eigen land. 7. Volgend jaar wil ik gaan werken. 8. Over vijf jaar ben ik klaar met mijn studie en heb ik een goede baan. 9. Over vijfentwintig jaar ben ik getrouwd, heb ik drie kinderen en een leuke baan. 10. Ik wil graag een wereldreis maken. 11. Ja, ik kan je vanmiddag met je huiswerk helpen. 12. Ik ben 20 augustus terug van vakantie. 13. Ja, ik schrijf me deze week voor de volgende cursus in. 14. Fijn, want ik kan niet goed met deze computer werken. 15. Goed idee! Wanneer?

    Oefening 9

    Verleden: afgelopen eergisteren - geleden gisteren op dat moment toen voorbij vorige - vroeger

    Heden: nu op dit moment tegenwoordig - vandaag

    Toekomst: aanstaande binnenkort dan komende - morgen op dat moment ooit over - overmorgen - straks

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 42

    Oefening 10 Voorbeelden

    1. Vorige week ben ik in Maastricht geweest. 2. Komend weekend is Willem vrij. 3. Honderd jaar geleden was er nog geen computer. 4. Vanavond gaan we naar de bioscoop. 5. Toen ik klein was, woonde ik in een dorp. 6. Over drie jaar ga ik terug naar mijn eigen land. 7. Na deze cursus hebben we een week vrij. 8. In december komt Sinterklaas. 9. Als ik klaar ben met mijn studie, zoek ik een baan. 10. Eergisteren regende het de hele dag.

    Oefening 12

    1. a. 8 miljoen 2. c. 2,7 miljoen 3. b. Deze zomer gaan meer Nederlanders in eigen land op vakantie. 4. d. 3 miljoen

    Oefening 14

    Ameland Schiermonnikoog Terschelling Texel Vlieland boot 45 min. 45 min. 45 of 90 min. 20 min. 45 of 90

    min. strand 27 km. 18 km. 30 km. 30 km. 12 km. bos 210 ha 150 ha 400 ha 620 ha. 300 ha fietspad 100 km. 30 km. 70 km. 135 km. 26 km. dorp 4 1 4 7 1 bewoners 3.200 1.000 5.000 13.000 1.150 museum 4 2 4 6 1 Oefening 17

    1. Voor de gezelligheid, de sport of liefhebberij. 2. Eind jaren 70 had 74% van de huishoudens een huisdier.

    In 1999 had 50% van de huishoudens een huisdier. Nu heeft 55 % van de huishoudens een huisdier.

    3. Ruim 75% van de gezinnen met kinderen heeft een huisdier. 46 % van de een- en tweepersoonshuishoudens heeft een huisdier.

    4. hond kat konijn 5. vissen vogels 6. Ze kopen een huisdier en voer en betalen voor het onderhoud.

    Oefening 19 Voorbeeld Mijn land ligt niet aan de zee. In mijn land wonen meer mensen dan in Nederland. Het klimaat is in de zomer warmer maar in de winter kouder. Mijn land is bergachtig. Mijn land heeft een zwakke economie. Veel mensen zijn arm. In mijn land wonen families samen in n huis. De huizen zijn groter dan in Nederland maar er wonen meer mensen in n huis. Op het platteland hebben veel mensen honden, katten en kippen. In de stad hebben niet veel mensen een huisdier. In mijn land zijn de mensen kleiner en hebben ze donkerder haar. Mensen zijn in mijn land gastvrijer en vrolijker dan in Nederland. In mijn land hebben mensen minder vrije tijd.

  • De opmaat 2009 Maud Beersmans en Wim Tersteeg / Uitgeverij Boom 43

    Oefening 21

    1. c. Fietsende werknemers zijn een dag per jaar minder ziek. 2. Voor hun gezondheid 3. - Ze wonen te ver weg.

    - Het weer is te wisselvallig. - Ze komen bezweet op hun werk aan. - De langere reistijd.

    Oefening 22

    1. Jeanet Kruisen-de Wit 2. c. De overledene is haar oma. 3. a. Beukenplein 11, 5038 BB Tilburg. 4. c. Op 27 mei na de crematie.