antwoorden hoofdstuktoetsen module 1 versie a hoofdstuk 1...

of 19 /19
HAVO 2 E FASE ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 1VERSIE A SCHAARSTE, GELD EN HANDEL MALMBERG Antwoorden hoofdstuktoetsen module 1 versie A Hoofdstuk 1 Voor niks gaat de zon op 1 B (1 p) 2 A (1 p) 3 1D 2F 3A 4B 5E 6C (2 p; per fout 1 p) 4 a (2 p) activiteit baten kosten saldo (= verschil) Disney * 225 * restaurant 48 32 16 thuis 20 5 15 sport 20 2,50 17,50 b Om te besluiten naar Disney te gaan, moet dat minstens 225 + 17,50 = 242,50 opleveren. (1 p) c Saldo Disney 250 225 = 25. Dus saldo restaurant moet minstens deze 25 zijn: ? 32 = 25. Dus minstens 57 / 8 uur = 7,13. (2 p) d Huiswerk, vrijwilligerswerk. (2 p) 5 a spoor: 600 mln / 100 = 6 mln per km huis: 600 mln / 1500 = 0,4 mln per huis (21 = 2 p) b 600 mln = aantal km spoor 6 + aantal huizen 0,4 (3 p) c Zie de grafiek. (2 p) d Zie de grafiek bij c. Nee, punt 5d ligt boven de budgetlijn en kan dus niet gerealiseerd worden. (2 of 0 p; zonder goede verklaring 0 p) e 6.000.000 / 500.000 = 12 stuks (1 p) 6 a Te weinig producten voor de grote vraag, dus krapte, een beperkt aanbod. (1 p) b In de economie: beperkte middelen ten opzichte van de onbegrensde behoefte. In de bron: beperkt aanbod ten opzichte van de grote vraag. (2 p) c Zolang deze situatie voortduurt kan Apple een stevige prijs blijven vragen en vermoedelijk meer verdienen dan bij massale productie. (2 p) 7 a Er is geen sprake van een goede rechtsorde en dus ook geen duidelijkheid over eigendomsrechten van grond. (2 p) b Verkoop aan Europa. (1 p)

Author: others

Post on 21-May-2020

8 views

Category:

Documents


0 download

Embed Size (px)

TRANSCRIPT

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 1VERSIE A SCHAARSTE, GELD EN HANDEL

    MALMBERG

    Antwoorden hoofdstuktoetsen module 1 versie A Hoofdstuk 1 Voor niks gaat de zon op 1 B (1 p) 2 A (1 p) 3 1D – 2F – 3A – 4B – 5E – 6C (2 p; per fout –1 p) 4 a (2 p)

    activiteit baten kosten saldo (= verschil)

    Disney * € 225 *

    restaurant € 48 € 32 € 16

    thuis € 20 € 5 € 15

    sport € 20 € 2,50 € 17,50

    b Om te besluiten naar Disney te gaan, moet dat minstens € 225 + € 17,50 = € 242,50 opleveren. (1 p) c Saldo Disney € 250 – € 225 = € 25. Dus saldo restaurant moet minstens deze € 25 zijn: ? – € 32 = € 25. Dus minstens 57 / 8 uur = € 7,13. (2 p) d Huiswerk, vrijwilligerswerk. (2 p)

    5 a spoor: € 600 mln / 100 = € 6 mln per km

    huis: € 600 mln / 1500 = € 0,4 mln per huis (21 = 2 p)

    b € 600 mln = aantal km spoor 6 + aantal huizen 0,4 (3 p) c Zie de grafiek. (2 p)

    d Zie de grafiek bij c. Nee, punt 5d ligt boven de budgetlijn en kan dus niet gerealiseerd worden. (2 of 0 p; zonder goede verklaring 0 p) e € 6.000.000 / € 500.000 = 12 stuks (1 p)

    6 a Te weinig producten voor de grote vraag, dus krapte, een beperkt aanbod. (1 p)

    b In de economie: beperkte middelen ten opzichte van de onbegrensde behoefte. In de bron: beperkt aanbod ten opzichte van de grote vraag. (2 p) c Zolang deze situatie voortduurt kan Apple een stevige prijs blijven vragen en vermoedelijk meer verdienen dan bij massale productie. (2 p)

    7 a Er is geen sprake van een goede rechtsorde en dus ook geen duidelijkheid over

    eigendomsrechten van grond. (2 p) b Verkoop aan Europa. (1 p)

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 1VERSIE A SCHAARSTE, GELD EN HANDEL

    MALMBERG

    c Verkoop aan een andere westerse economie. Of zelf gaan ontwikkelen met een betrouwbare partner. (2 p) d d1 = voedsel; d2 = valuta, geld (2 p) e Voedsel van de eigen grond kan beter ten goede komen aan de eigen arme bevolking en het geld gaat naar de machthebbers. (2 p)

    Cijfer = (score / 35) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 1VERSIE A SCHAARSTE, GELD EN HANDEL

    MALMBERG

    Hoofdstuk 2 Van ruilen komt geen huilen 1 C (1 p) 2 1C – 2B – 3F – 4D – 5A – 6E (2 p, per fout –1 p) 3 A, B en D (1 p, per fout –1 p) 4 a Vesuvius 1000 / 160 = 6,7; Pompei 3000 / 300 = 10, dus Pompei. (1 p)

    b Modernere machines, beter geschoold personeel. (1 p)

    c Vesuvius (160 € 15) / 1000 = € 2,40; Pompei (300 € 17,5) / 4000 = € 1,31, dus Pompei. (2 p)

    5 a 1 ei = 0,1 pint bier = 0,05 liter bier = 0,1 kilo aardappelen = 0,1 kilo vlees = 0,3 makreel (2 p)

    b 2 1 pint = 2 3 = 6 makrelen, 1 kilo vlees = 3 makrelen en 20 eieren = 2 3 = 6 makrelen, totaal 15. Ze hebben 16 makrelen gevangen, dus houden ze 1 makreel over. (2 p) c Het kost veel meer tijd om te bepalen of het een geschikte ruil is (ondermaatse vis of bedorven vlees bijvoorbeeld). (1 p) d Het blijkt enorm aan te slaan; in crisistijd ruilt men liever dan dat men met geld betaalt. Bovendien betere producten. (2 p) e ‘Als u iets verbouwd, gefokt, geschoten of gestolen heeft wat op ons menu past, dan kunnen we zaken doen.’ De eigenares maakt zich wellicht schuldig aan heling. (1 p)

    6 a Textiel wordt nu goedkoper in de westerse wereld. (1 p) b Werknemers in de textiel; ze verliezen hun baan. Textielproducenten; zij zien hun winstgevende ondernemingen verdwijnen. (3 p, 1 = groepen; 2 = juiste verklaring) c (6,4 – 4,4) / 4,4 = 45% (2 p)

    d 40% 70 miljard = 28 mld / 14 mln = $ 2.000 (2 p) e Werkgelegenheid en dus ook de koopkracht in China gaan enorm omhoog en dus ontstaat er vraag naar producten uit het westen. (2 p) f Elk land gaat zich toeleggen op producten waar het goed in is en andere producten van elders halen. (1 p)

    Cijfer = (score / 27) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 1VERSIE A SCHAARSTE, GELD EN HANDEL

    MALMBERG

    Hoofdstuk 3 Geld, de smeerolie van ruil 1 C (1 p) 2 1F – 2D – 3E – 4B – 5A – 6C (2 p, per fout –1 p) 3 A Oppotmiddel; er wordt geruild in de tijd. (2 p, per fout –1 p) B Ruilmiddel; kleding wordt geruild tegen geld. C Rekenmiddel, geld wordt gebruikt om te kunnen vergelijken. D Rekenmiddel, geld wordt gebruikt om te kunnen vergelijken 4 Bijvoorbeeld: (2 p, per fout –1 p)

    • deelbaar, ook kleine bedragen mogelijk; • handzaam, niet te volumineus; • duurzaam, mag niet slijten; • niet na te maken, te veel geld in omloop en vertrouwen weg.

    5 a (100,4 103,5) / 100 = 103,9 (2 p)

    b (103,5 100,2) / 100 = 103,7 (2 p)

    c (100 / 104,2) 100 = 96,0, dus 4,0% gedaald (2 p)

    6 a 1% van € 4,3 mld = 43 miljoen opname op één dag (1 p); € 1,5 mld in kas € 1,5 mld / 43 mln = 34,9, dus 34 dagen (1 p) (2 p) b Nee, om erover te kunnen beschikken moet het eerst overgeboekt worden naar een betaalrekening. (1 p) c Hij deed een oproep aan de spaarders om hun geld weg te halen terwijl hij opkomt voor de belangen van mensen die schulden (leningen) bij de bank hadden staan. (2 p) d Hij wilde de bank failliet hebben om zo voor zijn klanten hogere schulden te voorkomen en een betere schuldenregeling te kunnen afspreken. (2 p)

    7 a 31,1 gram = $ 1.050 5 gram = (1.050 / 31,1) 5 = $ 168,81 (3 p)

    b € 1 = $ 1,50 $ 1 = 1 / 1,5 = € 0,67 168,81 0,67 = € 112,54 (2 p) c Goud biedt bescherming tegen inflatie en tegen een daling van de dollarkoers. (2 p) d Het gevolg is dat de prijs van goud stijgt omdat vraag naar goud > aanbod. (2 p) e De intrinsieke waarde wisselt per dag afhankelijk van de goudprijs; daarom is het niet geschikt als rekenmiddel. (2 p)

    Cijfer = (score / 31) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 2 VERSIE A EENMAAL, ANDERMAAL, VERKOCHT

    MALMBERG

    Antwoorden hoofdstuktoetsen module 2 versie A Hoofdstuk 1 De vraag naar producten 1 B (1 p) 2 1D – 2F – 3B – 4C – 5E – 6A (2 p, per fout –1 p)

    3 a Qv = –15 8 + 450 = 330 kaartjes (1 p) b (2 p)

    c 0,5 330 (30 – 8) = € 1.980 (2 p)

    d p = 8 – 25% = 6; aantal kaartjes: –15 6 + 450 = 360;

    surplus: 0,5 360 (30 – 6) = € 4.320; is meer dan twee keer zo groot, dus ja. (2 p) e Ev = 0 want de gevraagde hoeveelheid reageert niet op een prijsverandering, oftewel: 0% / x% = 0. (2 p)

    4 a Aflezen: deze daalt van 2 miljoen naar 1 miljoen liter (1 p)

    b E = ((1 – 2) / 2) 100) / ((2,5 – 2) / 2) 100) = –2 (2 p)

    c 1 miljoen liter € 2,50 = € 2.500.000 (1 p) d De overige vruchtensappen zullen nu meer gekocht worden en dus verschuift bij elke prijs de vraag naar rechts. (2 p)

    5 a Stijgt. Omdat een substitueerbaar product duurder is geworden, kopen

    consumenten eerder een ijsje. (2 p, per fout –1 p) b Stijgt, omdat een exogene factor (het weer) de behoefte aan ijs doet toenemen. c Blijft gelijk, zodat er bij een stijgende prijs minder vraag is. d Daalt, omdat daardoor ijsjes minder individuele voorkeur zullen genieten.

    6 a Reizen van 500 km per auto, zin: ‘Voor afstanden tussen de 300 en 800

    kilometer maken mensen gebruik van auto of vliegtuig.’ (1 p) Reizen van 500 km per snelle trein, zin: ‘Op plaatsen waar de HSL al is

    aangelegd, levert de snelle trein tijdwinst op, tot aan de afstand van 800 kilometer.’ (1 p) b Tijdwinst door hogere vervoerssnelheid overtreft het tijdverlies door inchecken. (1 p) c brandstof, onderdelen (1 p) d Spoorwegennet breidt enorm uit, vliegen krijgt met grote milieuheffingen te maken, service aan boord, inchecken veel sneller. (2 p)

    Cijfer = (score / 26) 9 +1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 2 VERSIE A EENMAAL, ANDERMAAL, VERKOCHT

    MALMBERG

    Hoofdstuk 2 Productie, kosten en winst 1 C (1 p) 2 1B – 2E – 3C – 4A – 5D – 6F (2 p, per fout –1 p) 3 a (maximaal 2 p)

    productie per maand

    vaste kosten

    variabele kosten

    totale kosten

    gemiddelde totale kosten

    marginale kosten

    0 500.000 0 500.000 * *

    1000 500.000 250.000 750.000 750 250

    5000 500.000 1.250.000 1.750.000 350 250

    b TK = 250Q + 500.000 (2 p)

    c TO = TK 375Q = 250Q + 500.000 125Q = 500.000 Q = 4000 stuks (2 p) d Het verlies van de mountainbikes kan worden gecompenseerd met andere producten. (2 p) e Zie de grafiek. (per lijn 1 p, maximaal 3 p)

    4 a Locatie: Noord-Nederland is geschikt voor gasverdeling en verdeling

    windenergie. Kennis: slimme netwerken. (1 p) b Energiecentrales, ondergrondse opslag, windmolens. (1 p) c Financieel kapitaal. (1 p) d Loonvoet. (1 p) e Het vaste deel, want deze arbeidskosten veranderen niet meer en zijn dus onafhankelijk van de hoeveelheid geleverde energie geworden. (2 p)

    5 A (1 p) 6 a Aflezen: 4000 stuks. (1 p)

    b ((6000 – 4000) / 4000) / ((6 – 8) / 8) = 0,5 / –0,25 = –2 of: (totaal 3 p) 50% (1 p) / –25% (1 p) = –2 (1 p) c Constante meeropbrengsten, omdat de MK horizontaal verloopt. (1 p)

    d Bij 4000 stuks geldt: GTK = € 7, TK = 4000 € 7 = € 2.800. (1 p)

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 2 VERSIE A EENMAAL, ANDERMAAL, VERKOCHT

    MALMBERG

    e Naarmate de productieomvang stijgt, worden de vaste kosten per eenheid product lager. (2 p)

    Cijfer = (score / 29) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 2 VERSIE A EENMAAL, ANDERMAAL, VERKOCHT

    MALMBERG

    Hoofdstuk 3 Het marktmechanisme 1 B (1 p) 2 1C – 2E – 3A – 4F – 5D – 6B (2 p, per fout –1 p) 3 a (per goede kolom 0,5 p, totaal 2,5 p)

    Q TO GO MO TK GTK MK TW

    0 0 * * 350.000 * * –350.000

    1000 400.000 400 400 390.000 390 40 10.000

    2000 800.000 400 400 510.000 255 120 290.000

    3000 1.200.000 400 400 710.000 237 200 490.000

    4000 1.600.000 400 400 990.000 248 280 610.000

    5000 2.000.000 400 400 1.350.000 270 360 650.000

    6000 2.400.000 400 400 1.790.000 298 440 610.000

    b 350.000 / 2000 = € 175 (0 of 2 p) c Omdat de extra kosten dan groter zijn dan de extra opbrengsten en de winst dus daalt. (2 p) d Om een grotere afzet en daarmee een groter marktaandeel te halen. (2 p) e Bij een Q van 5000 stuks. (1 p) f (per lijn 1 p, maximaal 3 p)

    4 a Een verkoopprijs lager dan de kostprijs en dus met verlies verkopen. (1 p) b Een grote vraag en een beperkt aanbod. (2 p) c ‘Achter de markt aan produceren’: bij hoge marktprijzen neemt het aanbod toe en neemt de vraag af, de marktprijzen dalen weer en vervolgens neemt het aanbod af en de vraag weer toe enz. (2 p)

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 2 VERSIE A EENMAAL, ANDERMAAL, VERKOCHT

    MALMBERG

    d (2 p)

    Bij dezelfde vraag en een groter aanbod zouden de prijzen ook zijn gedaald maar minder. e Door innovatie toe te passen en technologische kennis uit te bouwen kan men in Europa de kostprijs van zonnecellen concurrerend houden. (1 p)

    5 a –10p +16 = 15p – 9 25p = 25 p = € 1 (1 p)

    Qv = –10 + 16 = 6 (1 p) 1 = 6 mln stuks (2 p; mln vergeten: –1 p) b (3 p: Qv, Qa en Evenwicht)

    c Bij deze prijs ontstaat er een aanbodoverschot; aflezen: Qa = 12 en Qv = 2. (2 p) d De aanbieders van frisdrank blijven met onverkochte producten zitten en verlagen dan de prijs tot er weer evenwicht is. (2 p) e Zie de grafiek bij b. (1 p)

    f –10p + 16 = 15p – 7 25p = 23 p = € 0,92 (1 p)

    Cijfer = (score / 34,5) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 3 VERSIE A MARKT EN OVERHEID

    MALMBERG

    Antwoorden hoofdstuktoetsen module 3 versie A Hoofdstuk 1 Structuur, evenwicht en prestaties 1 B (1 p) 2 a homogeen oligopolie omdat het product van de ene aanbieder niet verschilt van

    de andere aanbieder (1 p) b elke eetgelegenheid richt zich op een bepaalde doelgroep door zich te onderscheiden in zijn product (1 p)

    3 1C – 2B – 3E – 4A – 5F – 6D (2 p, per fout –1 p) 4 a concrete markt, heterogeen (1 p)

    b concrete markt, homogeen (1 p) c abstracte markt, homogeen (1 p) d abstracte markt, homogeen (1 p) e abstracte markt, heterogeen (1 p)

    5 a (per juiste kolom totale en marginale opbrengsten 1p, totaal 2 p)

    productie per maand totale opbrengsten marginale opbrengsten

    marginale kosten

    0 0 – –

    1000 500.000 500 400

    2000 1.000.000 500 450

    3000 1.500.000 500 500

    4000 2.000.000 500 550

    5000 2.500.000 500 600

    6000 3.000.000 500 650

    b Qv = Qa –12.500p + 20.000.000 = 37.500p – 10.000.000

    50.000p = 30.000.000 p = 30.000.000 / 50.000 = 600 (2 p)

    Invullen in Qa of Qv Q = –12.500 600 + 20.000.000 = 12.500.000 (2 p)

    Of: Qa Q = 37.500 600 – 10.000.000 = 12.500.000 (2 p, totaal 4 p) c (3 p)

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 3 VERSIE A MARKT EN OVERHEID

    MALMBERG

    d Als MO = MK en dus bij 5000 stuks (1 p)

    Totale winst: 1000 200 + 100 150 + 1000 100 + 1000 50 + 1000 0 = 500.000 (2 p) (totaal 3 p)

    6 a Eerst totaal voor 2009: 28,7 1,035 1,062 = 31,5 miljard;

    daarna aandeel AH 32,8% = 10,3 miljard (2 p) b Verzadigingseffect, laag consumentenvertrouwen door de economische crisis (2 p) c De totale omzet is procentueel meer gestegen dan de omzet van Aldi. (1 p) d Heterogeen oligopolie want slechts een handvol supermarkten, in de ogen van de consument nogal verschillend, heeft 90% van de markt in handen. (2 p) (Opmerking: heterogeen duopolie met juiste verklaring ook goed rekenen) (totaal 3 2 en 1 1 = 7 p)

    7 a Vliegreizen: monopolistische concurrentie, veel aanbieders en heterogeen

    product Woningen: monopolistische concurrentie, veel aanbieders en heterogeen product Chips: monopolie, één dominante aanbieder (3 p) b Variabele kosten (1 p) c Er zaten voorwaarden vast aan de korting waardoor Intel de concurrentie uit de markt prijsde en een echte monopolist zou worden. Dit laatste is erg nadelig voor de consument. (2 p)

    Cijfer = (score / 33) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 3 VERSIE A MARKT EN OVERHEID

    MALMBERG

    Hoofdstuk 2 Marktvormen en hun marktevenwicht 1 D (1 p) 2 1F – 2D – 3A – 4E – 5C – 6B (2 p, per fout –1 p) 3 a (per juiste kolom 0,5 p, dus totaal maximaal 2,5 pt)

    p Q = hoeveelheid

    TO MO TK MK

    € 100 900 90.000 –700 270.000 300

    € 200 800 160.000 –500 240.000 300

    € 300 700 210.000 –300 210.000 300

    € 400 600 240.000 –100 180.000 300

    € 500 500 250.000 100 150.000 300

    € 600 400 240.000 300 120.000 300

    € 700 300 210.000 500 90.000 300

    b Bij Q = 400. Dan geldt MO = MK en tot dat productieniveau levert elke geproduceerde fiets meer op dan hij kost en daarboven het omgekeerde en vanaf dat niveau daalt dus de winst. (2 p)

    c (per juiste kolom 0,25 p, dus totaal maximaal 1,5 pt) p Q Q van

    con-current

    Q van Freerider

    TO MO TK MK

    € 100 900 200 700 70.000 –500 210.000 300

    € 200 800 200 600 120.000 –300 180.000 300

    € 300 700 200 500 150.000 –100 150.000 300

    € 400 600 200 400 160.000 100 120.000 300

    € 500 500 200 300 150.000 300 90.000 300

    € 600 400 200 200 120.000 500 60.000 300

    € 700 300 200 100 70.000 700 30.000 300

    d Surplus eerst: (1000 – 600) 400 ½ = € 80.000;

    surplus daarna: (1000 – 500) 500 ½ = € 125.000; verandering € 125.000 – € 80.000 = € 45.000 (3 p) e Winst daalt naar 60.000, door zowel prijsdaling als daling afzet. (3 p)

    4 a 5000p – 100.000 = –2000p + 250.000, dus 7000p = 350.000 en dus p = 350 / 7 = € 0,50 (2 p) b Daar geldt MO = MK. (1 p)

    c 200.000 (€ 0,50 – € 0,40) = € 20.000 (2 p) d Zolang er winst wordt gemaakt, treden nieuwe aanbieders toe totdat MO = MK = GTK = € 0,35. (2 p)

    5 a Nederland: monopolie; VS: oligopolie (2 p)

    b Google heeft 70% en verdient bijna al zijn omzet ($ 22 miljard) met zoekopdrachten, dus 22 / 0,7 = $ 31,4 miljard. (2 p) c Enorme groeimarkt, Yahoo heeft meer onderdelen. (2 p) d Veel minder kapitaalkrachtig dan Microsoft, marktaandeel al 70% dus wettelijke tegenwerking. (2 p)

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 3 VERSIE A MARKT EN OVERHEID

    MALMBERG

    6 a In Engeland zijn er meer aanbieders dan in Nederland; in Engeland marktaandeel verplicht < 15%. (2 p) b Oligopolie leidt tot hoge prijzen, ondoorzichtige markt. (2 p) c Toezicht voldoende, kostenstijgingen moeten worden doorberekend. (2 p)

    Cijfer = (score / 36) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETSEN MODULE 3 VERSIE A MARKT EN OVERHEID

    MALMBERG

    Hoofdstuk 3 Overheid 1 B (1 p) 2 1A – 2F – 3E – 4B – 5C – 6D (2 p, per fout –1 p) 3 a/b

    c p = 3 Qv = –3 + 10 = 7 miljoen en Qa = 2 3 – 5 = 1 miljoen, dus een vraagoverschot van 7 – 1 = 6 miljoen stuks (3 p) d Bescherming van de consument tegen te hoge prijzen. (1 p)

    e Eerst 1 miljoen € 3 = 3 miljoen en daarna 5 5 = 25 miljoen, dus een stijging van 25 – 3 = € 22 miljoen. (3 p)

    f Eerst: (3 – 2,5) 1 miljoen ½ = € 250.000; later: (5 – 2,5) 5 miljoen ½ = € 6.250.000, dus + € 6.000.000. (2 p) g Meer consumenten bediend, geen zwarte markt, grotere markt met meer aanbieders. (2 p)

    4 a De vraag neemt af en het aanbod wordt vergroot zodat de werkloosheid zal

    toenemen. (2 p) b Door elders subsidies weg te nemen (hypotheekrenteaftrek en pensioenen) is er ruimte voor belastingverlaging zodat de netto-inkomens kunnen stijgen. (2 p) c Deze aftrek kost samen met de subsidies op pensioengeld zoveel belastinggeld dat de productiefactor arbeid onnodig duur wordt. (2 p) d Het verkleinen van de inkomensverschillen. (1 p)

    5 a Melkverwerkers oftewel melkfabrieken (al zijn die in Nederland voor 90% in

    boerenhanden), groothandel, supermarkten. (2 p) b Door schaalvergroting gaan de vaste kosten per liter melk omlaag en dus de kostprijs per liter zodat boeren die dit toepassen het meest concurrerend blijven. (2 p)

    c Het aanbod van melk neemt toe en de vraag neemt af overschotproductie. (2 p) d Europese producenten: hogere productie en hogere prijs vanwege het ontbreken van aanbod voor een lage prijs van buiten de EU. Europese consumenten: een hogere prijs van melk en dus minder consumptie van melk. (totaal 2 p)

    Cijfer = (score / 33) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETS MODULE 4 VERSIE A NU EN LATER

    MALMBERG 15

    Antwoorden hoofdstuktoetsen module 4 versie A Hoofdstuk 1 De prijs van tijd 1 B (1 p) 2 1C – 2D – 3A – 4B – 5F – 6E (2 p, per fout –1 p) 3 a Het consumptiepatroon van jongeren is anders. Aan sommige dingen geven ze

    procentueel meer uit (bijv. ontspanning) dan een gemiddeld werknemersgezin en aan andere dingen procentueel minder (bijv. voeding). (1 p) b Studentenprijsindex:

    18 106,2 = € 1.911,60

    24 112,0 = € 2.688

    16 108,5 = € 1.736

    28 114,8 = € 3.214,40

    14 104,4 = € 1.461,60 + € 11.011,60 Studentenprijsindexcijfer is 110,1. (2 p) c De basisuitkering kan dan meestijgen met de stijging van het studentenprijsindexcijfer (1 p) dat meestal een grotere stijging vertoont dan de stijging van het CPI. (1 p) (totaal 2 p)

    d (€ 10.200 / € 9.100) 100 = 112,1 (2 p)

    e (112,1 / 110,1) 100 = 101,8 (2 p) 4 a € 3.600 – € 3.000 = € 600 / 3 = € 200 per jaar. Gemiddelde schuld is € 3.000 / 2

    = € 1.500, dus rentepercentage = 200 / 15 = 13,3%. (3 p) b Financiële instellingen leven onder andere van de rentemarge. (1 p) c Consumptie wordt nu verschoven in de tijd. (2 p) d De individuele prijs van tijd is dan hoger dan de algemene prijs (rente). (2 p)

    5 a voorraadgrootheid

    b stroomgrootheid c stroomgrootheid d voorraadgrootheid e stroomgrootheid f voorraadgrootheid (totaal 6 0,5 p = 3 p)

    6 a Brazilië (1 p)

    b De reële rente in Rusland is negatief of heel klein en in Engeland > 2%. (2 p) c Ondanks de lagere reële rente in Zwitserland is er kans op koerswinst ten opzichte van de Engelse pond. (2 p)

    Cijfer = (score / 28) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETS MODULE 4 VERSIE A NU EN LATER

    MALMBERG 16

    Hoofdstuk 2 Gezinnen in de tijd 1 C (1 p) 2 1F – 2D – 3E – 4C – 5A – 6B (2 p, per fout –1 p) 3 a De onderste variant. (1 p)

    b Piloot: later aan het werk vanwege langere studie, groter negatief financieel vermogen in de beginfase vanwege hogere studiekosten, groter eindvermogen vanwege spaarmogelijkheden, hoger looninkomen vanwege hogere arbeidsproductiviteit. (2 p, per fout –1 p) c De piloot gaat eerder met pensioen; opgebouwd financieel vermogen maakt dit mogelijk. (1 p)

    4 a Een gedeelte van het inkomen wordt gespaard om op een later moment te

    gebruiken. (1 p)

    b Dat kan niet want je kunt maximaal vijf jaar 12% = 60% van het bruto jaarsalaris sparen voor je levensloopverlof. (1 p) c Het gespaarde bedrag mag belastingvrij worden afgetrokken van het brutosalaris. (1 p) d Om werk en privé beter te kunnen combineren. (1 p)

    5 A onjuist; B juist; C juist; D juist (2 p, per fout –1 p) 6 a Inkomsten uit toekomstig loon worden geruild tegen huidige kosten in een

    opleiding. (1 p) b Huidige eerstejaars bouwen een schuld op van € 15.360 en huidige afgestudeerden hebben een schuld van € 12.500, dus een toename van € 2.860. (1 p)

    c 5% € 20.000 + 5% € 18.000 + … + 5% € 2.000 = € 5.500 (1 p) d rood staan = krediet op een betaalrekening; creditcard = extra kredietmogelijkheid (1 p)

    7 a € 1.366 / 0,7 = € 1.951 bruto (1 p)

    € 4.890 / € 1.951 = 2,5 < 3 (1 p) (totaal 2 p) b geslacht, deeltijd/voltijd, grootte bedrijf, nieuwe baan (1 p, per fout –1 p) c De minister is werkgever. (1 p)

    d 25 uur € 1 4 weken = € 100 (1 p)

    Cijfer = (score / 22) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETS MODULE 4 VERSIE A NU EN LATER

    MALMBERG 17

    Hoofdstuk 3 Ondernemingen in de tijd 1 B (1 p) 2 1F – 2D – 3E – 4C – 5A – 6B (2 p, per fout –1 p) 3 a (3 pt, per fout –1 p)

    Kosten Resultatenrekening 2009 Opbrengsten

    Loon € 590.000 Omzet wegenbouw € 663.000 Brandstof € 245.000 Omzet bedrijventerreinen € 416.000 Betaalde rente € 60.000 Omzet natuurterreinen € 530.000 Afschrijvingen € 320.000 Ontvangen rente € 2.000 Onderhoud machines € 162.000 Overige € 77.000 Diversen € 112.000 Subtotaal € 1.489.000 Resultaat € 199.000

    Totaal € 1.688.000 Totaal € 1.688.000

    b (3 pt, per fout –1 p)

    Debet Beginbalans 1 januari 2009 Credit

    Gebouwen € 250.000 Eigen Vermogen € 690.000 Machines € 1.300.000 Vorderingen/debiteuren € 200.000 Hypotheeklening € 170.000 Voorraden € 24.000 Lening bank € 840.000 Bank en giro € 25.500 Belastingschuld € 30.000 Kas € 500 Crediteuren € 70.000

    Totaal vermogen € 1.800.000 Totaal vermogen € 1.800.000

    c totaal vermogen = alle activa opgeteld; eigen vermogen = totaal vermogen minus alle schulden (1 p) d gebouwen en machines (1 p) e crediteuren en belastingschuld (1 p) f afschrijvingen, onderhoud, loon, brandstof, betaalde rente (4 0,5 p = 2 p) g Eerst komen de kosten, daarna pas de extra winst van de investering. (2 p)

    4 A machines +29.000, bank –29.000 (0,5 p)

    B hypotheek –15.000, bank –15.000 (0,5 p) C debiteuren +30.000, eigen vermogen +30.000 (1 p) D debiteuren –15.000, bank +15.000 (0,5 p) E voorraden +32.000, crediteuren +32.000 (0,5 p) F gebouwen –15.000, eigen vermogen –15.000 (1 p) (totaal 4 p)

    5 a De kosten zijn (veel) meer gestegen dan de omzet, zodat de winst daalt. (2 p)

    b Het bedrijfsonderdeel halfgeleiders verkocht en geboekt als eenmalige winst. (1 p) c Minder afhankelijk worden van de VS en meer winstpotentie in andere landen. (2 p)

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETS MODULE 4 VERSIE A NU EN LATER

    MALMBERG 18

    6 a winst en aantal werknemers (2 0,5 p = 1 p) b Toegevoegde waarde omdat dit begrip de feitelijke productie van een bedrijf weergeeft (inkoop grond- en hulpstoffen en diensten derden zijn van de omzet afgetrokken). (2 p)

    c $ 458 miljard (€ 329 miljard) € 1 = $ 458 / € 329 = $ 1,39 (2 p) d Twee grote financiële instellingen; miljardenverliezen in de kredietcrisis (1 p)

    Cijfer = (score / 31) 9 + 1

  • HAVO 2E FASE

    ANTWOORDEN HOOFDSTUKTOETS MODULE 4 VERSIE A NU EN LATER

    MALMBERG 19

    Hoofdstuk 4 De overheid in de tijd 1 B (1 p) 2 1C – 2A – 3E – 4D – 5F – 6B (2 p, per fout –1 p) 3 a Defensie, bedrijventerreinen, infrastructuur (1 p)

    b Bedrijven kunnen deze investeringen nergens in rekening brengen. (1 p) c Deltafonds: een combinatie van lenen en aardgasbaten. Dus nu schuld maken, later de baten (lenen) en nu geld investeren en later de baten (aardgas). (2 p) d Toekomstige generaties profiteren ervan maar moeten ook de lasten (rente en aflossing) dragen. (1 p)

    4 a € 300 miljard = 2/3 bni bni = € 450 miljard (1 p) b Aflossingen zijn terugbetalingen van schuld; geld dat je al eerder hebt uitgegeven. (1 p) c 12 miljard / 300 miljard = 0,04, dus 4% (1 p) d 2 + 1,8 + 1,6 + … + 0,2 = 11 miljard (1 p) e effectenbeurs (1 p) f Is gedaald omdat de obligatie maar 4% rente biedt en nieuwe obligaties 6%. (1 p)

    5 a 1 = mier, 2 = krekels, 3 = kapitaaldekkingsstelsel, 4 = omslagstelsel (2 p, per fout –1 p)

    b € 35.000 80 / 128 = € 21.875 (1 p) c Het omslagstelsel (krekel) is beter omdat de mier (kapitaaldekking) zijn voorsprong door het slechte rendement op beleggingen (eigen doelpunt) meer dan verspeeld heeft. (2 p) d Omdat het een door de overheid vastgestelde uitkering aan ouderen is. (1 p) e Premies omhoog, uitkering naar beneden, oprekken financieringstekort door extra te lenen of te bezuinigen in ander uitgaven (2 p, per fout –1 p) f 20 miljard / 1,75 miljoen = € 11.428,57 (1 p)

    g 600 miljard / X = 60.000 X = 10 miljoen (1 p) h Een klein land als Nederland kende tot voor kort in verhouding tot Duitsland veel meer zeer grote banken die ook nog eens steun nodig hadden. (1 p)

    Cijfer = (score / 25) 9 + 1